Alle soorten › Zangvogels › Wevers › Grenadierwever
Grenadierwever | Euplectes orix
Southern Red Bishop | Obispo Rojo
De grenadierwever is de vuurrode bisschop van rietkragen en natte akkers. Het broedende mannetje zet zijn oranjerode veren op tot een bol en zweeft zoemend als een hommel boven het riet. Buiten de broedtijd trekken mannetjes en vrouwtjes samen rond in grote, onopvallend bruine groepen.
Geluid
Een snel, sissend en zoemend gezang, ongeveer zik-zik-zik-zizizizizi, vanaf een rietstengel of tijdens de hommelachtige baltsvlucht met opgezette veren; daarnaast een scherp tsjik als roep.
Opname: African Bioacoustics Community — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
10 tot 11 cm, gedrongen. Bisschoppen hebben geen verlengde staartveren: het broedende mannetje is daardoor even lang als in rustkleed. Het mannetje in broedkleed is vuur- tot oranjerood met een zwart voorhoofd, gezicht en kin, een rode keel en bovenborst en een zwarte onderborst en buik; de lange rode onderstaartdekveren bedekken de korte bruine staart bijna helemaal, en ook de stuit is rood. Vleugels bruin, snavel zwart. Het vrouwtje is gestreept bruin van boven, geelbruin van onderen met fijne streping op borst en flanken, met een lichte wenkbrauwstreep en een hoornkleurige snavel. Het mannetje in rustkleed lijkt op het vrouwtje, maar is iets groter en zwaarder gestreept.
Verwarringssoorten
De roodvoorhoofdwever (Euplectes hordeaceus) heeft een rode kruin zonder zwart voorhoofd, zwarte vleugels en geelbruine onderstaartdekveren. De zwartbuikwever (Euplectes nigroventris) is kleiner, met een rode kruin en een geheel zwarte onderzijde van keel tot onderstaart. Vrouwtjes en rustkleden zijn nauwelijks te scheiden van die van de Napoleonwever (Euplectes afer) en andere bisschoppen; ga uit van de mannetjes in de groep. Roodbekwevers (Quelea quelea) in rustkleed hebben een rode snavel.
Leefgebied
Rietkragen, lisdodde en hoog gras langs rivieren, dammen en vleien, en aangrenzende graanakkers en suikerriet. Mannetjes zijn polygaam: elk verdedigt een klein territorium in het riet, waarin hij meerdere nesten bouwt voor verschillende vrouwtjes. Het nest is een ovale bal van gras- en rietreepjes met een zij-ingang, vastgeweven aan rietstengels. Buiten de broedtijd foerageert de soort in grote groepen op akkers en in graslanden, vaak samen met roodbekwevers en andere zaadeters.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Wijdverspreid over vrijwel het hele gebied: heel Zuid-Afrika tot in de West-Kaap, Lesotho, Eswatini, Zimbabwe, Botswana (vooral het oosten en noorden), Namibië langs rivieren en dammen, Zambia, Malawi, Mozambique en Angola; ontbreekt alleen in de droogste streken zonder open water. Daarbuiten noordwaarts tot Tanzania, Kenia, Oeganda en het oosten van Congo-Kinshasa.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Van november tot februari bij vrijwel elke rietkraag of dam: de mannetjes zingen vanaf een uitstekende stengel en voeren hun baltsvlucht uit met opgezette veren. In de winter bestaan groepen bruine vogels op akkers vaak uit grenadierwevers en roodbekwevers door elkaar; let dan op de snavelkleur.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd; algemeen, en in delen van Zuid-Afrika toegenomen door dammen en irrigatie. Geldt plaatselijk als schadelijk in de graanteelt, maar in veel mindere mate dan de roodbekwever.
Wetenschappelijke naam
Euplectes orix | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Emberiza orix; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Euplectes werd in 1829 ingevoerd door Swainson. Euplectes verbindt Grieks eu 'fraai, goed' met Neolatijn plectes 'wever'. orix komt van het Latijnse oryza, 'rijst' — naar een zaadetende vogel van graanvelden. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit binnenland van Afrika (Angola).

