Alle soorten › Zangvogels › Wevers › Roodbekwever

Roodbekwever | Quelea quelea

Red-Billed Quelea | Quelea Común

De roodbekwever wordt vaak de talrijkste wilde vogelsoort ter wereld genoemd. Zwermen van honderdduizenden tot miljoenen vogels trekken als rookwolken over de savanne, broeden in kolonies die hele bosjes vullen en kunnen graanoogsten in korte tijd kaalvreten.

Roodbekwever (Quelea quelea)
Hoofdfoto · Foto: Bernard DUPONT from FRANCE — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Een aanhoudend, luid gekwetter van de hele zwerm, en als zang van het mannetje een korte reeks schurende en tjirpende tonen met enkele hoge fluitjes. Het ruisen van de vleugels van een opvliegende zwerm is van ver te horen.

Luister: RoepXC1034250

Opname: András Schmidt — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

11 tot 13 cm, met een zware, kegelvormige snavel die bij het mannetje het hele jaar rood is. Het mannetje in broedkleed heeft meestal een zwart masker over voorhoofd, gezicht en keel, omlijst door een roze, rode of bleek geelbruine kap die ook over de borst kan doorlopen; de kleuring is zeer variabel, en sommige mannetjes hebben een wit of geelbruin gezicht zonder zwart. De bovendelen zijn geelbruin met zwarte streping, de onderdelen licht met een roze of geelbruine zweem. Het vrouwtje in broedkleed is gestreept bruin met een lichte wenkbrauwstreep en een gele tot oranje snavel. Buiten de broedtijd hebben beide seksen een rode snavel en een gestreept bruin kleed met een lichte wenkbrauwstreep.

Verwarrings­soorten

Het mannetje van de roodkopwever (Quelea erythrops) heeft een zwarte snavel en een rode kop met alleen een donkere keel. De kardinaalwever (Quelea cardinalis) is kleiner, met een egaal rode kap tot op de borst en een donkere snavel. Vrouwtjes en rustkleden van de grenadierwever (Euplectes orix) en andere bisschoppen lijken sterk op roodbekwevers in rustkleed, maar hebben een hoornkleurige snavel. Een zwerm is door de enorme aantallen en het golvende, gelijktijdige manoeuvreren al van ver te herkennen.

Leefgebied

Droge en halfdroge savanne, doornveld, Kalahari-zandveld, graslanden en akkers, altijd binnen bereik van drinkwater. Eet vooral graszaden en in de landbouw ook sorghum, gierst, tarwe en rijst; de jongen worden met insecten gevoerd. Broedt in enorme kolonies, soms van miljoenen nesten, dicht opeen in doornbomen of riet; het nest is een kleine, dunwandige grasbal die in twee à drie dagen wordt gebouwd, en de hele cyclus van nestbouw tot uitvliegen duurt ongeveer vier weken. Overnacht in grote slaapplaatsen in riet of struikgewas.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Over bijna het hele gebied, het talrijkst in de drogere savannes van Namibië, Botswana, Zimbabwe en het noorden van Zuid-Afrika; schaars of afwezig in het fynbos van de West-Kaap, in het hooggebergte van Lesotho en in gesloten bos. Nomadisch, en in sommige jaren massaal aanwezig waar de soort eerder ontbrak. Daarbuiten in droge savannes van Senegal tot Ethiopië en Somalië en zuidwaarts via Oost-Afrika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Ga aan het eind van de middag bij een drinkplaats zitten in Etosha, de Kalahari of Kruger: zwermen komen in golven drinken, vormen boven het water bewegende wolken en trekken valken en andere roofvogels aan. Een broedkolonie in de zomer is onvergetelijk, met bomen die trillen van het gekwetter en elke tak vol nesten.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; zeer algemeen. Geldt als een van de ernstigste plaagvogels in de Afrikaanse landbouw; broedkolonies en slaapplaatsen worden in verschillende landen bestreden met gif, vuur en explosieven, wat ook andere vogels treft. De totale aantallen blijven desondanks enorm.

Wetenschappelijke naam

Quelea quelea | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Emberiza quelea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Quelea werd in 1850 ingevoerd door Reichenbach. De herkomst van Quelea is onzeker; Linnaeus gaf geen uitleg. Mogelijk gaat het terug op middeleeuws Latijn qualea, 'kwartel', naar de enorme zwermen, zoals de bijbelse kwartels. quelea herhaalt de geslachtsnaam; Linnaeus gaf geen uitleg. Mogelijk gaat het terug op middeleeuws Latijn qualea, 'kwartel', naar de enorme zwermen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal (oorspronkelijk abusievelijk als India opgegeven).