Alle soorten › Hoenderachtigen › Parelhoenders › Helmparelhoen

Helmparelhoen | Numida meleagris

Helmeted Guineafowl | Pintada Común

Het helmparelhoen is het meest algemene hoen van de open vlakten en akkers van zuidelijk Afrika, met een leigrijs verenkleed dat dicht bezaaid is met witte parels en een kale blauw-rode kop met een hoornachtige helm. Buiten de broedtijd loopt het in luidruchtige troepen van tientallen tot honderden vogels.

Helmparelhoen (Numida meleagris)
Foto: Zerocool.marko — CC0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een hard, raspend kek-kek-kek-kaaa en een tweelettergrepig, ratelend kerrek-kerrek van het vrouwtje. Bij verstoring rent de troep weg onder een aanhoudend schor gekrijs. De hele groep roept in koor bij zonsopgang en opnieuw bij het opzoeken van de slaapbomen.

Luister: AlarmroepXC1149015

Opname: Kileo Jumah — CC0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 55 cm, gedrongen, met een bolle rug en een korte hangende staart. Het verenkleed is leigrijs met dichte, regelmatige witte stippen. De kop en bovenhals zijn onbevederd en blauwgrijs, met rode lellen aan weerszijden van de snavel en een beenachtige helm op de kruin. De seksen zijn gelijk, al is het mannetje iets groter met een hogere helm. Kuikens zijn roodbruin met donkere lengtestrepen en bevederde kop. De vogel rent liever dan dat hij vliegt; opgejaagd stijgt hij snorrend en laag op om na enkele tientallen meters weer te landen.

Verwarrings­soorten

Het kuifparelhoen (Guttera edouardi) van bosranden en dicht struweel in het oosten heeft een zwarte krulkuif in plaats van een helm, een rood oog en geen lellen, en de witte stippen zijn blauwachtig omzoomd. Verder is verwarring in het gebied niet mogelijk.

Leefgebied

Grasland, open savanne, doornveld, braakliggende akkers, stoppelvelden en bosranden. Scharrelt op de grond naar zaden, granen, bollen, knollen, insecten en slakken, en heeft dagelijks drinkwater nodig. Overnacht in bomen of op hoge struiken. Woestijn en gesloten bos worden gemeden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Over vrijwel het hele gebied verspreid, met uitzondering van de kale Namib en het dichte laaglandbos; bijzonder talrijk in de akkerbouwstreken van Zuid-Afrika, Zimbabwe, Botswana en Zambia, en verder in Namibië, Mozambique, Malawi, Eswatini, Lesotho en Angola. Buiten het gebied over vrijwel heel Afrika ten zuiden van de Sahara; de gedomesticeerde vorm wordt wereldwijd gehouden.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Vroege ochtend en late middag langs landwegen en grazige bermen, wanneer troepen in de open ruimte foerageren. Ga tegen zonsondergang bij een groep slaapbomen staan en luister naar het koor terwijl de vogels een voor een opvliegen. In de zomerregentijd, van november tot maart, lopen familiegroepen met kuikens rond.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en algemeen. De soort heeft geprofiteerd van de uitbreiding van graanteelt en van veedrinkplaatsen, die water leveren in van nature droge streken. Zij wordt over een groot deel van het areaal bejaagd voor consumptie en als wildsoort; plaatselijk vallen verliezen door vergiftigd zaaigoed en door verkeer.

Wetenschappelijke naam

Numida meleagris | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Phasianus Meleagris; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Numida werd in 1764 ingevoerd door Linnaeus. Numida is Latijn voor 'Numidisch', naar Numidië, het Romeinse gewest in Noord-Afrika waar de parelhoen vandaan leek te komen. meleagris verwijst naar de Meleagriden uit de Griekse mythologie: de zusters van Meleager, die na zijn dood van verdriet in parelhoenders veranderden, waarbij hun tranen de witte spikkels op het verenkleed werden. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Nubië, aan de bovenloop van de Nijl.