Alle soorten › Hoppen en neushoornvogels › Hoppen › Hop

Hop | Upupa epops

Common Hoopoe | Abubilla

De hop van zuidelijk Afrika behoort tot de standvogelvorm africana, die door veel auteurs als aparte soort, de Afrikaanse hop, wordt beschouwd. Met zijn kaneelrode verenkleed, de zwart-wit gebandeerde vleugels en de waaiervormige kuif is hij onmiskenbaar, en in tuinen, parken en open bosveld is hij een vertrouwde verschijning.

Hop (Upupa epops)
Foto: Giles Laurent — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een zacht, hol en ver dragend hoep-hoep of hoep-hoep-hoep, vaak lang volgehouden vanaf een verborgen tak, met de hals opgeblazen en de snavel naar beneden. Iets sneller en vaker in paren van twee dan bij Europese vogels. Verder een schor, raspend sjèèr bij alarm en een zacht gekrijs van bedelende jongen in de nestholte.

Luister: ZangXC1164664

Opname: Zsombor Károlyi — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

25–28 cm. Kop, hals en onderdelen zijn diep kaneelrood tot oranjebruin, bij het mannetje het warmst. De lange kuif heeft zwarte punten en wordt bij opwinding als een waaier opgezet, maar ligt meestal plat naar achteren. De snavel is lang, dun en licht gebogen. Mantel kaneel, vleugels en staart zwart met brede witte banden; de staart draagt één witte band. Anders dan bij de Europese vormen zijn de binnenste armpennen bij het mannetje geheel wit met een zwarte top, zodat in de vlucht geen tweede reeks witte banden op de armvleugel zichtbaar is; het vrouwtje is doffer en toont meer grijs en wit in de armvleugel. De vlucht is traag en vlinderachtig, met brede, afgeronde vleugels die bij elke slag bijna sluiten.

Verwarrings­soorten

In het gebied niet te verwarren. De groene kakelaar Phoeniculus purpureus en de zuid-afrikaanse boomhop Rhinopomastus cyanomelas zijn verwanten met een lange gebogen snavel, maar zijn donker metaalglanzend met een lange getrapte staart. Een vliegende hop kan op afstand aan een grote vlinder of een gaai doen denken, maar het zwart-witte vleugelpatroon is doorslaggevend. Europese broedvogels van de nominaatvorm zijn als dwaalgast mogelijk in het noorden van het gebied, maar zijn in het veld moeilijk vast te stellen.

Leefgebied

Open bosveld, doornveld, parkachtige savanne, boomgaarden, tuinen, sportvelden en gazons: overal waar korte vegetatie of kale grond afwisselt met bomen. Loopt op de grond en steekt de snavel diep in zand of mest om larven, poppen, sprinkhanen, kevers en mieren eruit te halen. Nestelt in een boomholte, een muur, een termietenheuvel of een nestkast; het vrouwtje en de jongen verdedigen het nest met een stinkende afscheiding.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Over vrijwel het hele gebied verspreid: van de Westkaap tot Angola en Malawi, algemeen in het bosveld en in tuinen van Zuid-Afrika, Eswatini, Zimbabwe, Botswana, Zambia en Mozambique. Ontbreekt in de echte Namib en is schaars in de kaalste delen van de westelijke Karoo en in dicht bos. Vogels op het koude Hoogveld en in het zuiden trekken in de winter deels weg. De vorm africana komt verder noordwaarts voor tot in Congo-Kinshasa, Oeganda en Kenia; de soort als geheel broedt in Europa, Azië en het grootste deel van Afrika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek op een gazon, in een park of op een kampterrein in de vroege ochtend; de vogel loopt met knikkende kop over de grond en vliegt bij verstoring op een lage tak, waar hij kort de kuif opzet. Het roepen verraadt hem al van ver in het voorjaar, vanaf augustus. Een nestkast of holte in een oude muur trekt vaak jaar na jaar hetzelfde paar.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en algemeen; de soort profiteert van tuinen en parken. Plaatselijk lijdt hij onder insecticidengebruik op gazons en in de landbouw, en door het verdwijnen van oude bomen met holten; nestkasten compenseren dat gedeeltelijk.

Wetenschappelijke naam

Upupa epops | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Upupa voerde hij in datzelfde werk in. Upupa is de Latijnse naam van de hop, gevormd naar de roep oep-oep-oep. epops is het Griekse woord voor de hop, eveneens naar de roep gevormd. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.