Alle soorten › Hoppen en neushoornvogels › Kakelaars › Groene kakelaar

Groene kakelaar | Phoeniculus purpureus

Green Wood Hoopoe | Abubilla Arbórea Verde

De groene kakelaar is een lange, donker glanzende vogel met een rode, gebogen snavel en rode poten, die in luidruchtige familiegroepen door het bosveld trekt. Het schaterende koor dat de groep inzet, heeft de soort de Afrikaanse bijnaam 'kakelaar' opgeleverd.

Groene kakelaar (Phoeniculus purpureus)
Foto: Bernard DUPONT from FRANCE — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luid, kakelend en schaterend koor, kek-kek-kek-kakakaka, dat door de hele groep wordt aangezwollen en afgebroken, vaak begeleid door wippende staarten en buigende lijven. Daarnaast een scherp kak als contactroep.

Luister: ZangXC1161575

Opname: Walter Wallner — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 34 cm, waarvan de helft staart. Het verenkleed is zwart met een sterke groene glans op kop, mantel en borst en een paarsblauwe glans op rug en staart. De vleugels hebben een witte band over de handpennen en de lange, getrapte staart draagt witte vlekken nabij de punt; beide vallen vooral in de vlucht op. Snavel en poten zijn rood. De snavel van het mannetje is langer en sterker gebogen dan die van het vrouwtje; jonge vogels hebben een kortere, zwartachtige snavel en doffer verenkleed.

Verwarrings­soorten

De Damarakakelaar (Phoeniculus damarensis) in het noordwesten van Namibië en het zuidwesten van Angola is groter, met een paarse in plaats van groene glans op de mantel; waar beide soorten elkaar raken komen mengvormen voor. De Zuid-Afrikaanse boomhop (Rhinopomastus cyanomelas) is veel kleiner, heeft een zwarte, sterk sikkelvormige snavel en zwarte poten en leeft niet in groepen.

Leefgebied

Bosveld, acaciasavanne, rivierbos en de randen van kustbos, ook grote tuinen, parken en plantages met oude bomen. Klautert over stammen en dikke takken en peutert met de snavel insecten, larven, spinnen en duizendpoten uit schors en spleten. Slaapt en broedt in boomholten; de groep helpt gezamenlijk bij het grootbrengen van de jongen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Verspreid over het grootste deel van het gebied: Zuid-Afrika (vooral oost en noord, langs de kust tot in de West-Kaap), Eswatini, Mozambique, Zimbabwe, Botswana, Zambia, Malawi, Angola en het noorden van Namibië. Ontbreekt in de droge Karoo, de Namib en de hoogste delen van Lesotho. Verder over een groot deel van Afrika ten zuiden van de Sahara.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond en vaak eerst gehoord: het uitgelaten gekakel verraadt een groep van vijf tot tien vogels die van boom naar boom trekt. In tuinen en rustkampen komt de soort op vaste tijden langs; volg de groep bij zonsondergang om de slaapholte te vinden.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en algemeen. De soort profiteert van tuinen en plantages met oude bomen, maar is afhankelijk van boomholten om te slapen en te broeden; waar dode en holle bomen worden verwijderd, verdwijnt de groep. Nestkasten worden goed aangenomen.

Wetenschappelijke naam

Phoeniculus purpureus | (Miller, 1784)

Miller beschreef de soort in 1784 als Promerops purpureus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phoeniculus werd in 1821 ingevoerd door Jarocki. Phoeniculus is een verkleinwoord van het Griekse phoinix, 'karmozijnrood', naar de dunne rode snavel. purpureus is Latijn voor 'purperkleurig' — naar de purperen en groene metaalglans van het verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit 'India en Afrika' (niet nader bepaald).