Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Kaalkopkiekendief

Kaalkopkiekendief | Polyboroides typus

African Harrier-Hawk | Aguilucho Caricalvo Común

De kaalkopkiekendief is een grote, grijze roofvogel met een kaal geel gezicht en dubbelgelede poten, waarmee hij in boomholtes, spleten en wevernesten reikt om er jongen en eieren uit te halen. Aan een boomstam hangend, met gespreide vleugels fladderend, is hij onmiskenbaar.

Kaalkopkiekendief (Polyboroides typus)
Foto: Jenny Varley — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een langgerekt, klagend fluiten, suuu-iiieee of hiiiii-oo, vooral in de broedtijd en tijdens de baltsvlucht boven het bos. Bij het nest ook zachtere, piepende tonen.

Luister: RoepXC958205

Opname: François Morand — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

60–66 cm, spanwijdte 148–170 cm. Volwassen vogels zijn blauwgrijs op kop, borst en rug, met fijne zwarte en witte dwarsbandering op buik en dijen. De vleugels zijn grijs met zwarte handpennen en een brede zwarte achterrand; de lange zwarte staart heeft één brede witte band. Het gezicht is kaal en geel, maar kleurt bij opwinding binnen enkele seconden rozerood. De kop is klein met een losse kuif op het achterhoofd, de lange poten zijn geel. Jonge vogels zijn donkerbruin tot lichtbruin met een bruin of grijzig gezicht; zij krijgen het volwassen kleed pas na enkele jaren. De vlucht is traag en lui, met diepe slagen en wiegend zweven.

Verwarrings­soorten

De donkere zanghavik Melierax metabates en de zanghavik Melierax canorus hebben rode poten en washuid, een wit gebandeerde staart met meer banden en geen kaal gezicht, en zitten rechtop op een uitkijkpost. De gabarhavik Micronisus gabar is veel kleiner. De hagedisbuizerd Kaupifalco monogrammicus is veel kleiner, met een zwarte keelstreep. Jonge vogels kunnen op een jonge buizerd of slangenarend lijken, maar de kleine kop, lange staart en lange poten helpen.

Leefgebied

Oeverbos, bosranden, breedbladig bosveld en savanne met grote bomen, ook plantages, parken en tuinen met hoge bomen tot in steden. Zoekt vogelnesten, vooral kolonies van wevers, spechtenholen en boomholtes af; eet ook kleine zoogdieren, reptielen, vruchten van oliepalmen en insecten. Broedt in een takkennest in een grote boom.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Wijd verspreid in het noorden, oosten en zuiden van het gebied: Zuid-Afrika van de West-Kaap oostwaarts langs de kust en inlands tot Limpopo, Eswatini, de randen van Lesotho, Mozambique, Zimbabwe, noordelijk Botswana, noordelijk Namibië, Zambia, Malawi en Angola. Ontbreekt in het droge binnenland van de Karoo, de Kalahari en de Namib. De soort heeft zich in de laatste decennia westwaarts uitgebreid langs rivieren en plantages. Buiten het gebied over vrijwel heel Afrika ten zuiden van de Sahara.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Houd een weverkolonie of een oude boom met holtes in de gaten: de kaalkopkiekendief komt klauterend en fladderend binnen, hangt ondersteboven aan takken en steekt een poot diep in een nest of holte. Kleine vogels slaan luid alarm wanneer hij verschijnt. In de vlucht valt de ene witte staartband op, samen met het lome, wiegende zweven.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en wijdverspreid, en in Zuid-Afrika in opmars dankzij plantages en tuinen met grote bomen. Plaatselijk worden vogels vervolgd omdat ze kippen en duiven pakken.

Wetenschappelijke naam

Polyboroides typus | Smith, 1829

Smith beschreef de soort in 1829 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Polyboroides voerde hij in datzelfde werk in. Polyboroides betekent 'lijkend op Polyborus', de caracara's van Amerika — naar de kale gezichtshuid en het veelzijdige foerageergedrag. typus is Latijn voor 'voorbeeld, type' — de soort is het type van het geslacht Polyboroides. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zuid-Afrika.