Alle soorten › Zangvogels › Brilvogels › Kaapse brilvogel

Kaapse brilvogel | Zosterops virens

Cape White-Eye | Anteojitos del Cabo

De Kaapse brilvogel is een van de algemeenste en meest vertrouwde vogels van het zuiden en oosten van het gebied: een kleine groene vogel met een witte oogring die in groepjes door tuinen, fynbos en bossen trekt. Het westelijke ras heeft een grijze buik, het oostelijke een groengele; beide horen tot dezelfde soort.

Kaapse brilvogel (Zosterops virens)
Foto: Hector Bottai — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De contactroep is een zacht, klagend tsiu of tie-uu, voortdurend herhaald door een groepje; bij onraad een snel kwetterend alarm. De zang is een snelle, afwisselende, kabbelende reeks van hoge, zoete fluittonen en tjilpjes, vooral in de vroege ochtend en vaak half verborgen in het gebladerte.

Luister: ZangXC1165868

Opname: Walter Wallner — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

11–12 cm. De bovendelen zijn olijfgroen, de keel en de onderstaartdekveren helder geel. Bij het westelijke en zuidelijke ras is de buik grijs met grijze flanken; bij het oostelijke ras, van de Oost-Kaap tot Limpopo, zijn buik en flanken groengeel, zodat de hele onderzijde gelig lijkt. Rond het oog ligt een brede witte ring, vóór het oog onderbroken door een smal zwart streepje. De snavel is dun en zwart, de poten grijs. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn doffer, met een smallere oogring. Leeft in groepjes van vijf tot twintig, buiten de broedtijd soms meer, die voortdurend contact houden met zachte roepjes.

Verwarrings­soorten

De Oranjerivierbrilvogel Zosterops pallidus is bleker zandkleurig olijfgroen van boven en heeft een witte buik met abrikooskleurige flanken; in de overgangszone in het binnenland komen tussenvormen voor. De zuidelijke Afrikaanse brilvogel Zosterops anderssoni in het noordoosten is kleiner, lichter geelgroen van boven en van keel tot onderstaart helder citroengeel. De halsbandapalis Apalis thoracica heeft een zwarte borstband, een lange staart en een lichte iris, en geen witte oogring.

Leefgebied

Vrijwel elke begroeiing met bomen en struiken: afromontaan en kustbos, bosranden, fynbos, rivierbos, plantages, parken en tuinen tot in het hart van steden. Foerageert in bomen en struiken op kleine insecten, nectar en zacht fruit, en komt graag op fruit en suikerwater in tuinen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In Zuid-Afrika in de West-Kaap, de Oost-Kaap, KwaZulu-Natal, de oostelijke Vrijstaat, Gauteng, Mpumalanga en het hoogland van Limpopo; verder in Lesotho, Eswatini, het zuiden van Mozambique en het zuidoosten van Botswana. Buiten het gebied komt de soort niet voor.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond en in het zuiden en oosten bijna overal; een waterbak of een halve sinaasappel in de tuin trekt ze snel aan. Let in het noordoosten van Zuid-Afrika op de kleur van buik en flanken om de zuidelijke Afrikaanse brilvogel uit te sluiten, en in het binnenland op abrikooskleurige flanken van de Oranjerivierbrilvogel.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Zeer algemeen en in aantal toegenomen door de aanplant van bomen en tuinen in voorheen boomloze streken zoals het Hoogveld.

Wetenschappelijke naam

Zosterops virens | Sundevall, 1850

Sundevall beschreef de soort in 1850 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Zosterops werd in 1827 ingevoerd door Vigors & Horsfield. Zosterops komt van het Griekse zōstēr, 'gordel', en ōps, 'oog' — naar de witte oogring die de meeste brilvogels hebben. virens is Latijn voor 'groen, groenend' — naar de groene bovendelen van deze brilvogel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Durban, KwaZulu-Natal, Zuid-Afrika.