Alle soorten › Zangvogels › Leeuweriken › Karoolangsnavelleeuwerik
Karoolangsnavelleeuwerik | Certhilauda subcoronata
Karoo Long-Billed Lark | Alondra Piquilarga
De Karoolangsnavelleeuwerik is een grote, langstaartige leeuwerik met een lange, gebogen snavel, die op rotsige Karoohellingen vanaf een steen of struik uitkijkt. Zijn zangvlucht, eindigend in een lange dalende fluittoon, is een van de typische geluiden van de Karoo. Het is een van vijf nauw verwante langsnavelleeuweriken die elkaars verspreidingsgebied grotendeels uitsluiten.
Geluid
In de zangvlucht stijgt het mannetje steil op, soms na een aanloop vanaf een rotsblok, en laat zich dan met gesloten vleugels vallen onder het geven van een lange, dalende fluittoon, sieeeeeeoeoe, soms als twee delen. Ook vanaf een rots of struik gezongen. De roep is een korte tsjiep.
Opname: Lynette Rudman — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
18–22 cm; het mannetje is duidelijk groter en langersnaveliger dan het vrouwtje. De snavel is lang en gebogen. De kop toont een lichte wenkbrauwstreep, een donkere oogstreep en een donkere baardstreep langs de witte keel. Bovendelen donker gestreept op een grondkleur die per streek verschilt, van donker roodbruin in Namakwaland en de westelijke Karoo tot lichter grijsbruin en okerkleurig in het oosten en in Namibië. De borst is okerkleurig met duidelijke donkere streping, de buik lichter. De staart is lang en donker met lichte buitenranden. In vlucht vallen de lange snavel en staart en de brede vleugels op.
Verwarringssoorten
De Kaapse langsnavelleeuwerik Certhilauda curvirostris van de westkust is groter, grijzer en sterker gestreept en leeft op zandige kustvlakten en akkers; de oostelijke langsnavelleeuwerik Certhilauda semitorquata van het oostelijke hoogveld heeft een kortere snavel en een ongestreepte, roestkleurige onderzijde. De Agulhas-langsnavelleeuwerik Certhilauda brevirostris (Overberg) en de Benguela-langsnavelleeuwerik Certhilauda benguelensis (noordwestelijk Namibië en Angola) vervangen hem in aangrenzende gebieden. De langsnavelleeuweriken zijn vooral op verspreiding en habitat te scheiden. De sjirpleeuwerik Chersomanes albofasciata is veel kleiner, met een zeer korte staart met witte eindband.
Leefgebied
Rotsige en steenachtige hellingen en vlakten met laag Karoostruweel in de Nama- en Sukkulente Karoo, ook op grindvlakten en in droog grasland op de rand van de Karoo. Zoekt voedsel op de grond; graaft met de lange snavel naar larven, termieten en andere insecten en eet ook zaden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Endemisch in zuidelijk Afrika: in Zuid-Afrika in de Karoo van de Noord-, West- en Oost-Kaap, in Namakwaland en Boesmanland en in het zuidwesten van de Vrijstaat; in Namibië van het zuiden tot het midden van het land, noordwaarts tot ongeveer het Khomas-hoogland. In het noordwesten van Namibië en in Angola wordt hij vervangen door de Benguela-langsnavelleeuwerik, aan de westkust door de Kaapse langsnavelleeuwerik.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Jaarrond; het best vroeg in de ochtend op rotsige hellingen in bijvoorbeeld het Karoo National Park, het Tankwa-Karoo National Park of rond Springbok. Luister naar de lange dalende fluit tijdens de zangvlucht en zoek daarna de vogel op een rotsblok. Houd bij de determinatie rekening met de plaats: binnen het verspreidingsgebied is de soort op een langsnavelleeuwerik moeilijk anders te plaatsen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd; vrij algemeen in geschikt Karooterrein. Er zijn geen grootschalige bedreigingen bekend, al kan zware overbeweiding het struweel plaatselijk aantasten.
Wetenschappelijke naam
Certhilauda subcoronata | Smith, 1843
Smith beschreef de soort in 1843 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Certhilauda werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Certhilauda combineert Certhia, 'boomkruiper', met Alauda, 'leeuwerik' — een leeuwerik met een lange, gebogen snavel als van een boomkruiper. subcoronata is Latijn voor 'enigszins gekroond', van sub, 'wat, bijna', en coronatus, 'gekroond' — naar de iets donkerder kruin. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Droge streken van de Kaapkolonie (niet nader bepaald).


