Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Lachstern

Lachstern | Gelochelidon nilotica

Gull-Billed Tern | Pagaza Piconegra

De lachstern is een stevige, bleke stern met een korte, dikke, meeuwachtige zwarte snavel, die meer als een meeuw of een grote zwaluw jaagt dan als een typische stern. Hij broedt verspreid over de gematigde en warme delen van de wereld en bereikt het gebied als schaarse wintergast, vooral in het noorden.

Lachstern (Gelochelidon nilotica)
Foto: cuihenggang — CC0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een nasaal, lachend ger-wik of kè-wik, en een droog kak-kak bij alarm. Meestal in de vlucht, vooral als groepjes samen foerageren.

Luister: RoepXC1155895

Opname: Walter Wallner — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 36 cm, met brede, vrij lange vleugels en een korte, ondiep gevorkte staart. De snavel is kort, hoog en geheel zwart, duidelijk dikker dan bij andere sterns van vergelijkbare grootte. In winterkleed, zoals hier meestal te zien, is de kop wit met een kleine, donkere vlek achter het oog en een fijn gestreepte achterkruin; in broedkleed heeft de vogel een volledig zwarte kap. De bovendelen, stuit en staart zijn lichtgrijs, weinig contrasterend, de onderdelen wit. De poten zijn zwart en betrekkelijk lang. In de vlucht is een donkere achterrand aan de buitenste handpennen zichtbaar. Jonge vogels hebben een bruinige tint op kruin en mantel.

Verwarrings­soorten

De grote stern Thalasseus sandvicensis heeft een lange, slanke zwarte snavel met gele punt, een witte stuit en staart en een ruige kuif, en duikt in zee. De reuzenstern Hydroprogne caspia is veel groter, met een rode snavel. De witwangstern Chlidonias hybrida in winterkleed is veel kleiner, met een fijne snavel, en heeft een bredere donkere oorvlek die naar de kruin doorloopt.

Leefgebied

Pannen, moerassen, overstroomde graslanden, oevers van meren en stuwmeren, en soms kustlagunes. Jaagt laag en zwevend boven water én land, en pikt prooi van het oppervlak of de grond in plaats van te duiken: insecten, krabben, kikkers, hagedissen en soms kleine vis. Volgt graag branden en ploegende boeren om opgejaagde insecten te vangen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Schaars en onregelmatig, vooral in het noorden van het gebied: Zambia, Malawi, met onder meer het Chilwameer en het Malawimeer, het noorden van Botswana met de Okavango en de Makgadikgadi-pannen, Zimbabwe en Mozambique. In Zuid-Afrika en Namibië een zeldzame gast. Broedt verspreid in Zuid-Europa, Noord-Afrika, West- en Centraal-Azië, Noord- en Zuid-Amerika en Australië; Europese vogels overwinteren vooral in Afrika ten noorden van de evenaar.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Let op grote, bleke sterns die laag boven drooggevallen pannen of overstroomde graslanden patrouilleren en prooi van de grond pikken in plaats van te duiken. De korte zwarte snavel en de witte kop met donkere oogvlek zijn dan beslissend. De meeste waarnemingen vallen tussen november en maart.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De wereldpopulatie is groot maar versnipperd, en veel broedpopulaties in Europa en Noord-Amerika zijn klein en gevoelig voor verstoring, wateronttrekking en het verdwijnen van kustmoerassen.

Wetenschappelijke naam

Gelochelidon nilotica | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Sterna nilotica; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Gelochelidon werd in 1830 ingevoerd door Brehm. Gelochelidon is Grieks, van gelaō 'lachen' en khelidōn 'zwaluw'. nilotica is Latijn voor 'van de Nijl', naar de streek waar het beschreven exemplaar vandaan kwam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Egypte.