Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Lammergier
Lammergier | Gypaetus barbatus
Bearded Vulture | Quebrantahuesos
De lammergier is een enorme, langvleugelige gier met een lange wigvormige staart en een zwarte baard onder de snavel, die leeft van beenderen: grote botten laat hij op rotsen te pletter vallen om het merg te bereiken. In Zuidelijk Afrika is hij beperkt tot het hooggebergte van Lesotho en de Drakensberg.
Geluid
Meestal stil. Bij het nest en in de balts een hoog, fluitend gepiep en een schril fiieeeu.
Opname: Thomas SIGNEAU — CC BY-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
100–115 cm, spanwijdte 250–280 cm. Volwassen vogels hebben een leigrijze bovenzijde met witte schachtstreepjes, een roomwitte kop met een zwart masker dat uitloopt in een borstelige zwarte baard, en een oranje tot roestkleurige hals en onderzijde. De kleur ontstaat doordat de vogel in ijzerhoudend water en modder baadt. Het oog is geel met een felrode oogring. In de vlucht lange, smalle, spitse vleugels en een lange, wigvormige staart, een silhouet dat meer aan een reusachtige valk dan aan een gier doet denken. Jonge vogels zijn donker grijsbruin met een zwartachtige kop en hals en krijgen in vijf tot zeven jaar het volwassen kleed.
Verwarringssoorten
De Kaapse gier Gyps coprotheres is bleker, met brede vleugels, een korte staart en een kale, langgerekte nek. De zwarte arend Aquila verreauxii is gitzwart met een witte V op de rug en witte vensters in de handpennen, en heeft een kortere staart. Jonge lammergieren kunnen op een donkere arend lijken, maar het lange wigvormige staartsilhouet en de smalle vleugels zijn uniek.
Leefgebied
Hooggebergte met diepe kloven, steile basaltwanden en hooggelegen grasland, vooral boven 2000 m. Zoekt laag langs hellingen naar karkassen van vee en wild en eet vooral botten; broedt in een holte of op een richel in een steile rotswand. Komt af op beschermde voederplaatsen met beenderen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
In het gebied alleen in het Drakensberg-Maloti-massief: Lesotho, het westen van KwaZoeloe-Natal, het noordoosten van de Oost-Kaap en de oostrand van de Vrijstaat. Vroeger ook in andere gebergten van Zuid-Afrika, tot in de West-Kaap, maar daar al lang verdwenen. Buiten het gebied in de hooglanden van Ethiopië en Oost-Afrika, in Noordwest-Afrika, de gebergten van Zuid-Europa, het Midden-Oosten en Centraal-Azië tot de Himalaya en Mongolië.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De beste kans is een voederplaats met beenderen in de Drakensberg, zoals bij Giant's Castle, of een rit over de Sani Pass en de hoge wegen van Lesotho. Kijk langs de kloofranden: de vogel glijdt laag en snel langs de helling, zelden met een vleugelslag. Bij helder weer valt de oranje onderzijde van volwassen vogels op tegen het blauw.
Staat van instandhouding
Wereldwijd gevoelig (bijna bedreigd), maar in Zuidelijk Afrika ernstig bedreigd: de geïsoleerde populatie telt ongeveer honderd broedparen en neemt af. Vergiftiging, onder meer via lokaas voor jakhalzen, aanvaringen met hoogspanningslijnen, stroperij voor het traditionele gebruik van gierdelen en verstoring bij de nesten zijn de belangrijkste bedreigingen. Er lopen voederprogramma's en een programma voor kweek in gevangenschap.
Wetenschappelijke naam
Gypaetus barbatus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Vultur barbatus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Gypaetus werd in 1784 ingevoerd door Storr. Gypaetus komt van het Griekse gupaietos, een verbasterde vorm van hupaietos, 'arend' of 'gier'. barbatus is Latijn voor 'gebaard', van barba 'baard', naar de zwarte veerbundel onder de snavel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Santa Cruz bij Oran, Algerije.

