Alle soorten › Trogonachtigen › Trogons › Narinatrogon

Narinatrogon | Apaloderma narina

Narina Trogon | Trogón Narina

De Narinatrogon is metaalgroen van boven en karmijnrood van onderen, maar zit zo roerloos rechtop langs een tak dat hij in het bladerdak vrijwel oplost. Je hoort hem eerder dan je hem ziet: een reeks zachte, diepe hoeptonen uit het middenstuk van het bos. Het is de enige trogon die in het grootste deel van zuidelijk Afrika voorkomt.

Narinatrogon (Apaloderma narina)
Foto: Patty McGann — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een reeks van vijf tot twaalf zachte, diepe, holle hoeptonen: hoo ... hoo ... hoo ..., traag beginnend en dan iets versnellend en oplopend, met een weemoedige klank. Het geluid draagt ver maar is moeilijk te plaatsen omdat de vogel bij het roepen nauwelijks beweegt. Roept vooral van september tot december, in de vroege ochtend. Bij verstoring een korte, schorre kraa.

Luister: ZangXC819116

Opname: Rick Nuttall — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

29–34 cm. Het mannetje is glanzend metaalgroen op kop, keel, borst, rug en staartbovenzijde, met een felkarmijnrode buik en onderstaart; de buitenste staartpennen zijn wit en vallen in de vlucht op. De snavel is kort, breed en geelgroen, met kaalgroene tot blauwgroene huid rond oog en mondhoek. Het vrouwtje is doffer: keel en borst zijn bruinig kaneelkleurig in plaats van groen, het rood van de buik is lichter. Jonge vogels zijn bruinig met witte vlekken op de vleugeldekveren. De vlucht is kort en golvend, van tak naar tak; jagend maakt de vogel een snelle uitval naar een rups of insect en keert naar dezelfde tak terug.

Verwarrings­soorten

In het grootste deel van het gebied is dit de enige trogon. In de bergbossen van Malawi en noordelijk Mozambique komt daar de bandstaarttrogon Apaloderma vittatum bij: die heeft een fijn zwart-wit gebandeerde onderstaart in plaats van een egaal witte buitenstaart, en bij het mannetje loopt de gele snavel door in een gele mondhoek.

Leefgebied

Altijdgroen bos, nevelwoud, kustduinbos en dichte oeverbossen langs rivieren, plaatselijk ook zwaar miombobos en dicht struweel. Foerageert in het middenstuk en de onderste kroonlaag, waar hij vanaf een vaste tak rupsen, sprinkhanen en kevers van blad en schors plukt. Nestelt in een holte in een dode stam of tak.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Een oostelijke en zuidelijke bosgordel: van de bossen van de Oost-Kaap noordwaarts door KwaZulu-Natal, Eswatini en de escarpementbossen van Mpumalanga en Limpopo, verder door oostelijk Zimbabwe, Mozambique, Malawi en Zambia, en westwaarts langs de oeverbossen van de Okavango en de Caprivi tot in noordelijk Namibië en Angola. Buiten het gebied verspreid over vrijwel heel bosrijk Afrika ten zuiden van de Sahara.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

September tot december, vroeg in de ochtend, wanneer de vogels roepen. Loop een bospad in, blijf staan bij een roepende vogel en speur langzaam de horizontale takken af: de groene rug staat naar je toe en verdwijnt tegen het blad, het rood zie je pas als de vogel zich draait. Let bij het wegvliegen op de witte flits van de buitenste staartpennen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en over een groot gebied verspreid. Plaatselijk loopt de soort terug waar kustbos, oeverbos en nevelwoud worden gekapt of versnipperd; kleine bosresten blijven bewoond zolang er dode stammen met nestholten staan. Elders in het verspreidingsgebied worden geen grootschalige afnames vastgesteld.

Wetenschappelijke naam

Apaloderma narina | (Stephens, 1815)

Stephens beschreef de soort in 1815 als Trogon Narina; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Apaloderma werd in 1833 ingevoerd door Swainson. Apaloderma komt van het Griekse apalos, 'zacht, teder', en derma, 'huid' — naar de opvallend dunne, kwetsbare huid van trogons, die bij het vasthouden makkelijk scheurt. narina is een Khoikhoi-woord voor 'bloem'. De Franse ontdekkingsreiziger Levaillant, die de soort beschreef, nam de naam over van een Khoikhoi-vrouw die hem op reis vergezelde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Knysna, Kaapprovincie.