Alle soorten › Ooievaarachtigen › Ooievaars › Ooievaar
Ooievaar | Ciconia ciconia
White Stork | Cigüeña Blanca
De ooievaar is in zuidelijk Afrika een zomergast uit Europa en West-Azië, die in groepen van tientallen tot duizenden over graslanden en akkers trekt. Hij volgt de regens en de uitbraken van sprinkhanen en rupsen, waarmee hij in de Zuid-Afrikaanse traditie de naam sprinkhaanvogel verdiende. Een klein aantal paren is in de West-Kaap achtergebleven en broedt daar.
Geluid
Vrijwel stom; het bekende snavelklapperen hoort men in zuidelijk Afrika bijna alleen bij de West-Kaapse broedvogels. Verder hooguit een zacht gesis.
Opname: Petter Westberg — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
100–115 cm, spanwijdte 155–165 cm. Wit met zwarte slagpennen en grote dekveren; de lange snavel en de poten zijn rood, het oog is donker met een smalle zwarte naakte huid eromheen. Jonge vogels hebben een doffere, bruinrode snavel met een donkere punt en bruinige vleugels. De poten zijn vaak wit bespat van de uitwerpselen, waarmee de vogel zich koelt. In de vlucht een witte ooievaar met zwarte achterhelft van de vleugel, gestrekte hals en uitstekende poten; zweeft veel in thermiek en trekt in spiralen omhoog.
Verwarringssoorten
De Afrikaanse nimmerzat Mycteria ibis heeft een rood kaal gezicht, een gele, gebogen snavel en een zwarte staart. Abdims ooievaar Ciconia abdimii is kleiner en grotendeels donker, met alleen buik en rug wit. In de vlucht op grote hoogte lijkt de roze pelikaan Pelecanus onocrotalus soms vergelijkbaar, maar die vliegt met ingetrokken kop, heeft een kortere staart zonder uitstekende poten en een enorme snavel.
Leefgebied
Open grasland, weidegebied, akkers, braakliggend land en overstromingsvlakten, vooral na regen. Foerageert lopend op sprinkhanen, rupsen (vooral legerrupsen), kevers, termieten en kleine gewervelden; verzamelt zich bij grasbranden en bij ploegende trekkers. Overnacht in groepen op palen, in bomen of op dammen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
In de zomer wijdverbreid over het oosten en het centrum van het gebied: het hoogveld van Zuid-Afrika (Vrijstaat, Mpumalanga, Gauteng, Noordwest), KwaZoeloe-Natal, de Oost-Kaap, de Karoo na regen, Lesotho, Eswatini, Botswana, Zimbabwe, Zambia en Malawi; in Mozambique, Angola en Namibië schaarser en onregelmatig. Een kleine broedpopulatie leeft sinds de jaren 1930 rond Bredasdorp en Oudtshoorn in de West-Kaap. Buiten het gebied broedt de soort in Europa, Noord-Afrika en West-Azië; de vogels in zuidelijk Afrika komen vooral uit de oostelijke populatie die over de Bosporus en de Nijlvallei trekt.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Het hoogveld en de Vrijstaat van december tot februari, vooral na goede regens of een sprinkhanenuitbraak. Groepen zijn van ver te zien als witte stippen in het grasland of als een spiraal van zwevende vogels boven een thermiekbel. Lees de ringen: veel vogels dragen een Europese ring.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd op de Rode Lijst; na een sterke achteruitgang in de twintigste eeuw zijn de Europese aantallen fors hersteld. In zuidelijk Afrika vormen vergiftiging bij de bestrijding van sprinkhanen en legerrupsen en aanvaringen met hoogspanningslijnen de belangrijkste risico's.
Wetenschappelijke naam
Ciconia ciconia | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Ardea Ciconia; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ciconia werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Ciconia is het Latijnse woord voor 'ooievaar'. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.

