Alle soorten › Ooievaarachtigen › Ooievaars › Zwarte ooievaar

Zwarte ooievaar | Ciconia nigra

Black Stork | Cigüeña Negra

De zwarte ooievaar is een schuwe, glanzend zwarte ooievaar met een witte buik en een rode snavel en rode poten. In zuidelijk Afrika leeft een eigen broedpopulatie die op richels in kloven en rotswanden nestelt, ver van mensen. Hij foerageert alleen of met zijn tweeën langs rivieren en dammen en voegt zich zelden bij groepen andere ooievaars.

Zwarte ooievaar (Ciconia nigra)
Foto: Bernard DUPONT from FRANCE — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Stiller dan de ooievaar, maar bij het nest wel vocaal: een reeks hijgende, fluitende of piepende tonen, in tegenstelling tot de meeste ooievaars. Klappert ook met de snavel, maar minder luid.

Luister: RoepXC980027

Opname: Francesco Sottile — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

95–100 cm, spanwijdte 173–205 cm. Kop, hals, borst en bovendelen zijn zwart met een sterke groene en paarse glans; buik, flanken en ondervleugeldekveren zijn wit. De snavel en de poten zijn helrood, het oog is omringd door een naakte rode ring. Jonge vogels zijn doffer bruinzwart met een groenachtig grijze snavel en grijsgroene poten. In de vlucht een grote donkere ooievaar met een witte driehoek aan de onderkant tussen vleugel en buik, gestrekte hals en uitstekende poten; zweeft met vlakke vleugels in thermiek.

Verwarrings­soorten

Abdims ooievaar Ciconia abdimii is kleiner, met een grijsgroene snavel, een blauw gezicht, een witte rug en stuit die in de vlucht opvalt, en vormt grote groepen. De Afrikaanse bisschopsooievaar Ciconia microscelis heeft een witte, wollige hals en een donkere snavel. De Afrikaanse gaper Anastomus lamelligerus is geheel donker, zonder witte buik. Jonge zwarte ooievaars kunnen door hun doffe snavel op Abdims ooievaar lijken; let dan op de donkere rug.

Leefgebied

Rivieren, beken, ondiepe dammen en moerasranden in heuvel- en bergland en in savanne; foerageert op vis, kikkers en waterinsecten, vaak door langzaam wadend in helder water te lopen. Het nest ligt op een richel of in een nis in een steile rotswand of kloof, soms in een grote boom; hetzelfde nest wordt jaren achtereen gebruikt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Dun verspreid over het oosten en noorden van het gebied. In Zuid-Afrika broedt hij vooral in de kloven van Mpumalanga, Limpopo, de Magaliesberg, KwaZoeloe-Natal en de Oost-Kaap; verder in Lesotho, Eswatini, Zimbabwe, Mozambique, oostelijk Botswana, Zambia en Malawi, en plaatselijk in het noordwesten van Namibië en in Angola. Buiten het gebied broedt de soort van Europa en Noord-Afrika tot China; die vogels overwinteren in Afrika ten zuiden van de Sahara en in India, maar bereiken het gebied slechts in kleine aantallen.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Kloven en rivierdalen met steile wanden, zoals in Mpumalanga, de Magaliesberg en de Drakensberg, in het droge seizoen (april–september), wanneer de vogels broeden. Kijk vanaf een uitzichtpunt naar rotsrichels met wit gekalkte randen, of zoek langs een rivier eronder naar een foeragerende vogel. In het Krugerpark vaak bij de rivieren in de winter.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd op de Rode Lijst. De zuidelijk-Afrikaanse broedpopulatie is echter klein en de soort geldt in Zuid-Afrika nationaal als kwetsbaar. Verstoring bij de nesten, bouw van dammen en vervuiling of verzanding van rivieren zijn de belangrijkste bedreigingen.

Wetenschappelijke naam

Ciconia nigra | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Ardea nigra; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ciconia werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Ciconia is het Latijnse woord voor 'ooievaar'. nigra is Latijn voor 'zwart', naar het donkere verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.