Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Rode druppelastrild

Rode druppelastrild | Hypargos niveoguttatus

Red-Throated Twinspot | Estrilda Golirroja

De rode druppelastrild is een schuwe astrild van struikgewas aan bosranden, waarvan het mannetje een karmijnrood gezicht en borst en een zwarte, wit gestippelde buik heeft. In het gebied is het een soort van het noordoosten, van Zambia en Malawi tot oostelijk Zimbabwe en Mozambique.

Rode druppelastrild (Hypargos niveoguttatus)
Foto: Nigel Voaden from UK — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een hoog, insectachtig trillertje, tsirrrrit, als contactroep, vaak het eerste teken van aanwezigheid. De zang is een zachte, lang aanhoudende reeks fluittonen en trillers, gebracht vanaf een beschutte tak.

Luister: ZangXC763309

Opname: isaac kilusu — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

12–13 cm, met een blauwgrijze snavel. Het mannetje heeft een grijze kruin en nek, een helder karmijnrood gezicht, keel en borst en een warmbruine rug en vleugels; stuit en bovenstaartdekveren zijn karmijnrood, de staart is donker. Buik en flanken zijn zwart met opvallende witte stippen. Het vrouwtje heeft een grijsbruin gezicht, een doffe oranjerode borst en een grijzere, eveneens wit gestippelde buik. Jonge vogels zijn egaal olijfbruin met een roodachtige stuit. Blijft laag in dichte ondergroei en komt alleen vroeg in de ochtend of bij een drinkplaats in het open.

Verwarrings­soorten

De parelastrild (Hypargos margaritatus) heeft een wijnroze in plaats van karmijnrood gezicht en een bruine kruin, en leeft zuidelijker, in Maputaland en het zuiden van Mozambique. De groene druppelastrild (Mandingoa nitidula) is kleiner, olijfgroen van boven en heeft rood alleen in het gezicht. Amaranten zoals de donkerrode amarant (Lagonosticta rubricata) missen de zwarte, wit gestippelde buik.

Leefgebied

Dichte ondergroei en struweel aan de randen van oeverbos, laaglandbos en kustbos, ruigte op open plekken, overwoekerde tuinen en bosranden in het heuvelland tot ongeveer 1700 m. Foerageert in paren op de grond naar graszaden en kleine insecten, vaak in gezelschap van donkerrode amaranten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Het oosten van Zimbabwe (lagere hellingen van de Eastern Highlands, onder meer de Burma- en Honde-vallei), het midden en noorden van Mozambique, Malawi en het noorden en oosten van Zambia. Uit Botswana, Namibië en Angola zijn geen gedocumenteerde waarnemingen bekend. Daarbuiten van het zuidoosten van Congo-Kinshasa, Rwanda en Burundi door Tanzania tot de kust van Kenia en het zuiden van Somalië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Zimbabwe gelden de Vumba, de Burma-vallei en de Honde-vallei als klassieke plekken, in Mozambique het gebied rond Gorongosa. Luister aan de rand van dichte struiken naar het insectachtige trillertje en wacht bij een open plek of een pad: de vogels komen kort naar buiten om te foerageren. Vroeg in de ochtend en na regen zijn ze het actiefst.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; in geschikt habitat vrij algemeen, maar door de verborgen leefwijze gemakkelijk over het hoofd gezien. Wordt plaatselijk gevangen voor de kooivogelhandel.

Wetenschappelijke naam

Hypargos niveoguttatus | (Peters, 1868)

Peters beschreef de soort in 1868 als Spermophaga niveoguttata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Hypargos werd in 1862 ingevoerd door Reichenbach. Hypargos combineert het Griekse hypo, 'onder', met Argos, de honderdogige reus uit de Griekse mythologie — naar de vele witte 'oogjes' op de onderzijde. niveoguttatus komt van het Latijnse niveus, 'sneeuwwit', en guttatus, 'gedruppeld' — naar de witte stippen op de zwarte onderzijde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Inhambane, Mozambique.