Alle soorten › Pelikaanachtigen › Reigers › Roerdomp
Roerdomp | Botaurus stellaris
Eurasian Bittern | Avetoro Común
De roerdomp is een grote, goudbruine reiger van dichte rietlanden die zich vrijwel altijd verborgen houdt en zich eerder door zijn diepe, dreunende roep verraadt dan door zijn verschijning. In het gebied leeft een eigen, zeer kleine standpopulatie, de ondersoort capensis.
Geluid
De baltsroep van het mannetje is een diep, verdragend oemp, voorafgegaan door enkele hoorbare inademingen, uh-uh-uh-OEMP, drie tot vijf keer herhaald en bij windstil weer kilometers ver hoorbaar, vooral in de schemering en 's nachts in de zomermaanden. In de vlucht soms een schor kau.
Opname: Stanley Baldauf — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
64–80 cm, spanwijdte 1 tot 1,3 meter. Gedrongen, met een dikke hals en een korte, dolkvormige snavel. Het verenkleed is goudbruin tot okerkleurig, dicht bespikkeld en gestreept met zwartbruin, met een zwarte kruin, een donkere baardstreep en brede bruine lengtestrepen over de voorhals. De snavel is geelgroen, de poten groen. De ondersoort capensis is donkerder en warmer bruin dan de Europese vogels. In de vlucht breed en uilachtig, met afgeronde, gebandeerde vleugels, ingetrokken hals en groene poten die net achter de staart uitsteken. Bij onraad neemt de vogel de paalhouding aan: snavel recht omhoog, lichaam smal, meewiegend met het riet.
Verwarringssoorten
Jonge kwakken Nycticorax nycticorax zijn kleiner, grijsbruin met witte druppelvlekken op de bovendelen en rode tot oranje ogen. Jonge purperreigers Ardea purpurea zijn slanker, langhalzig en roestbruin zonder dichte spikkels. De Afrikaanse woudaap Botaurus sturmii en het woudaapje Botaurus minutus zijn veel kleiner.
Leefgebied
Uitgestrekte, permanente riet-, lisdodde- en biezenmoerassen met ondiep water en open plekken, in hoogveld- en montaan grasland en langs overstromingsvlakten. Sluipt langzaam door de rand van de vegetatie en vangt vissen, kikkers, waterinsecten en kleine zoogdieren. Het nest is een platform van riet, verborgen in dichte begroeiing boven het water.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Zeer lokaal en dun verspreid: in Zuid-Afrika in de vleien van het hoogveld van Mpumalanga en de KwaZoeloe-Natalse Midlands, met oude waarnemingen in Gauteng, de Vrijstaat en de Oost-Kaap; verder in Zimbabwe, de Okavangodelta in Botswana, de moerassen van Zambia (Bangweulu, Kafue), Malawi en Lesotho (historisch). Buiten het gebied broedt de nominaatvorm over Europa en Azië, met wintergebieden in Noord-Afrika, de Sahel en Zuid-Azië.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Luister in de schemering van oktober tot januari bij de grote hoogveldvleien, bijvoorbeeld rond Wakkerstroom en Chrissiesmeer in Mpumalanga. Een roerdomp zien lukt zelden; de beste kans is een vogel die even laag over het riet vliegt of aan de rand van een open plek staat.
Staat van instandhouding
Mondiaal niet bedreigd, maar de Afrikaanse ondersoort telt vermoedelijk slechts enkele honderden vogels. In Zuid-Afrika geldt de soort nationaal als ernstig bedreigd door het droogleggen, begrazen en in brand steken van vleien en het verlies aan broedgebied voor landbouw en mijnbouw. Bescherming van grote hoogveldmoerassen is de sleutel voor het voortbestaan.
Wetenschappelijke naam
Botaurus stellaris | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Ardea stellaris; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Botaurus werd in 1819 ingevoerd door Stephens. Botaurus is middeleeuws Latijn voor 'roerdomp'; het woord verbindt het Latijnse bos 'rund' met taurus 'stier', naar de loeiende roep (vergelijk butire 'boemen'). stellaris is Latijn voor 'gesterd', van stella 'ster', naar het gespikkelde verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.
