Alle soorten › Stormvogelachtigen › Albatrossen › Roetkopalbatros

Roetkopalbatros | Phoebetria palpebrata

Light-Mantled Albatross | Albatros Manto Claro

De roetkopalbatros is een donkere albatros met een lichte asgrijze rug, die zijn donkere kop als een kap doet uitkomen. Hij leeft in de koude wateren van de zuidelijke oceaan tot aan het pakijs en broedt binnen het gebied alleen op de Prins Edwardeilanden.

Roetkopalbatros (Phoebetria palpebrata)
Foto: User:Fguerraz This illustration was made by François Guerraz. Please credit this with : © François Guerraz in the immediate vicinity of the image. A link to my web gallery http://album.fgv6.net would be much appreciated but isn't mandatory. An email to François Guerraz would be appreciated too. Do not copy this image illegally by ignoring the terms of the license below, as it is not in the public domain. If you would like special permission to use, license, or purchase the image please contact me François Guerraz to negotiate terms. More free pictures in my personal gallery — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee stil. Op de broedplaats een luide, klagende tweelettergrepige roep, pee-oo, met opgeblazen keel en de snavel omhoog, die tussen de kliffen weerkaatst; paren voeren gesynchroniseerde baltsvluchten uit.

Luister: ZangXC863983

Opname: Kevin Guille — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 79 tot 89 cm, met een spanwijdte van 1,8 tot 2,2 m. Kop, vleugels en staart zijn donker roetbruin; nek, mantel, rug en onderdelen zijn bleek asgrijs, zodat de donkere kop en vleugels scherp afsteken. Om het oog ligt een onderbroken witte halve ring. De snavel is zwart met een lichtblauwe tot lila streep langs de groef van de ondersnavel. De vleugels zijn lang en smal, de staart lang en wigvormig, en de handpennen hebben witte schachten. Jonge vogels zijn minder contrastrijk, met een geschubde mantel en een doffe snavelstreep.

Verwarrings­soorten

De zwarte albatros (Phoebetria fusca) is geheel donker zonder lichte rug, en heeft een gele tot oranje snavelstreep; jonge zwarte albatrossen met een lichte, geschubde nek kunnen echter verwarrend zijn. Donkere jonge reuzenstormvogels, zuidelijke (Macronectes giganteus) en noordelijke (Macronectes halli), zijn plomper, met brede vleugels, een korte staart en een zware, bleke snavel.

Leefgebied

Open oceaan in koude, subantarctische en antarctische wateren, ten zuiden van het subantarctisch front tot aan de rand van het pakijs. Eet vooral pijlinktvis, verder krill, vis en aas. Broedt alleen of in losse groepjes op begroeide richels van steile hellingen en kliffen, vaak landinwaarts.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Broedt binnen het gebied op Marion en Prince Edward, in een klein aantal paren verspreid over de binnenlandse kliffen. Voor de kust van het vasteland zeer zeldzaam, met enkele meldingen boven diep water voor de West-Kaap, vooral in de winter. Verder circumpolair in de zuidelijke oceaan, met broedplaatsen op South Georgia, Crozet, Kerguelen, Heard, Macquarie en de subantarctische eilanden van Nieuw-Zeeland.

Hoe en wanneer kijken

Vanaf het vasteland een zeldzaamheid; een reis naar Marion of een oversteek door de zuidelijke oceaan geeft de beste kans. Bij een donkere albatros op zee eerst op de rug letten: een lichte, grijze mantel met donkere kop wijst op deze soort, een egaal donkere vogel op de zwarte albatros.

Staat van instandhouding

Gevoelig. De wereldpopulatie is moeilijk te tellen door de verspreide nesten, en er zijn aanwijzingen voor achteruitgang. Bijvangst in de beuglijnvisserij en ingevoerde roofdieren op de broedeilanden vormen de belangrijkste bedreigingen, en veranderingen in het zeeijs kunnen het voedselaanbod beïnvloeden.

Wetenschappelijke naam

Phoebetria palpebrata | (Forster, 1785)

Forster beschreef de soort in 1785 als Diomedea palpebrata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phoebetria werd in 1853 ingevoerd door Reichenbach. Phoebetria komt van het Griekse phoibētria, 'profetes, waarzegster' — volgens Coues (1882) passend voor albatrossen, wier onheilspellende voorspellende betekenis bekend is uit Coleridges The Rime of the Ancient Mariner. palpebrata is Latijn voor 'met oogleden', van palpebra, 'ooglid' — naar de opvallende witte halve oogring. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zuidelijke Oceaan ten zuiden van de Prins Edwardeilanden.