Alle soorten › Stormvogelachtigen › Albatrossen › Tristanalbatros
Tristanalbatros | Diomedea dabbenena
Tristan Albatross | Albatros de Tristán de Acuña
De Tristanalbatros is de kleine, donkere tweelingsoort van de grote albatros. Vrijwel de hele wereldpopulatie broedt op Gough Island in de zuidelijke Atlantische Oceaan, en een deel van de vogels foerageert in de wateren voor de westkust van zuidelijk Afrika.
Geluid
Op zee grotendeels stil; bij ruzie om voedsel schor gekras. Op de broedplaats balts met gespreide vleugels, snavelgeklepper en een luid, kreunend gefluit zoals bij de grote albatros.
Opname: Chris Taylor — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
Zeer groot: 107 tot 117 cm, met een spanwijdte van 2,7 tot 3,1 m. Bouw en tekening als bij de grote albatros, maar iets kleiner, met een kortere snavel en een lagere, minder hoekige kop. De snavel is roze met een gelige punt en zonder zwarte snijrand. Jonge vogels zijn chocoladebruin met een wit gezicht; de overgang naar het witte kleed verloopt trager dan bij de grote albatros, zodat ook broedende volwassen vogels vaak nog bruin gevlekt zijn op de rug en een donkere bovenvleugel met weinig wit houden. Vrouwtjes zijn gemiddeld donkerder dan mannetjes. De ondervleugel is wit met een zwarte achterrand en punt.
Verwarringssoorten
De grote albatros (Diomedea exulans) is groter en langer gesnaveld; oude vogels zijn witter, met veel wit op de bovenvleugel. Jonge en onvolwassen grote albatrossen zijn op zee echter van de Tristanalbatros vrijwel niet te onderscheiden, en veel waarnemingen blijven daarom onzeker. De koningsalbatrossen, zuidelijke (Diomedea epomophora) en noordelijke (Diomedea sanfordi), hebben een zwarte snijrand langs de bovensnavel en een geheel wit lichaam.
Leefgebied
Open oceaan in subtropische en koelgematigde wateren, vooral boven diep water en rond het subtropisch front. Eet vooral pijlinktvis en vis, en volgt vissersschepen. Broedt in de hooglanden van Gough, op open, drassige vlaktes met varens en gras, en broedt net als de grote albatros hooguit eens in de twee jaar.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Broedt vrijwel alleen op Gough Island, met enkele paren op Inaccessible Island (Tristan da Cunha). Buiten de broedtijd foerageert hij over de zuidelijke Atlantische Oceaan, van de kust van Zuid-Amerika tot voor de westkust van zuidelijk Afrika; binnen het gebied vooral boven diep water voor de West-Kaap en het zuiden van Namibië, zeldzamer rond de Agulhasbank. Enkele gezenderde vogels trokken tot in de Indische Oceaan en naar Australië.
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Alleen te zien tijdens pelagische tochten naar de rand van het plat voor Kaapstad, in de late zomer en de winter. Een bruingevlekte grote albatros met een relatief korte snavel is een kandidaat, maar zekerheid is meestal niet te krijgen; noteer lengte van de snavel, de hoeveelheid wit op de bovenvleugel en fotografeer de vogel van opzij.
Staat van instandhouding
Ernstig bedreigd. Op Gough eten ingevoerde huismuizen de meeste jongen levend op, zodat het broedsucces zeer laag is; een poging om de muizen in 2021 uit te roeien slaagde niet volledig en de muizen herstelden zich. Daarnaast verdrinken volwassen vogels als bijvangst in de beuglijnvisserij op zee. De wereldpopulatie telt nog maar enkele duizenden volwassen vogels.
Wetenschappelijke naam
Diomedea dabbenena | Mathews, 1929
Mathews beschreef de soort in 1929 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Diomedea werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Diomedea verwijst naar Diomedes, de Griekse held wiens metgezellen volgens de mythe in zeevogels werden veranderd. dabbenena eert de Italiaans-Argentijnse ornitholoog Roberto Dabbene (1864–1938), die veel over de vogels van Argentinië en de zuidelijke oceanen publiceerde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Niet vermeld in de bron.
