Alle soorten › Spechtachtigen › Afrikaanse baardvogels › Roodbuikbaardvogel

Roodbuikbaardvogel | Pogonornis minor

Black-Backed Barbet | Barbudo Frentirrojo Occidental

De roodbuikbaardvogel is een forse baardvogel met een bleke snavel, een rode voorkruin en een abrikooskleurige tot roze-rode buikvlek, een soort van de noordelijke miombo- en oeverbossen. In het gebied is hij schaars en onopvallend, en wordt hij vaker gehoord dan gezien.

Roodbuikbaardvogel (Pogonornis minor)
Foto: Nigel Voaden from UK — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een hard, droog krek, vaak herhaald, en een trillend, speelgoedachtig zoemen dat aan de breedbekscharrelaar doet denken; daarnaast snavelgeklepper.

Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.

Herkenning

Ongeveer 18 cm, gedrongen, met een zware, bleek hoornkleurige snavel. Voorhoofd en voorkruin zijn rood, de buik draagt een abrikooskleurige tot roze-rode vlek. De oostelijke ondersoort macclounii (Zambia) heeft donkere, bijna zwarte bovendelen en een wit gezicht en witte onderdelen, wat een scherp contrast geeft; de westelijke nominaatvorm (Angola) is in het gezicht grotendeels bruinig en minder contrastrijk. De seksen zijn vrijwel gelijk; jonge vogels zijn doffer met minder rood.

Verwarrings­soorten

De dubbeltandbaardvogel (Pogonornis bidentatus) is groter en heeft een rood gezicht, rode keel en rode borst. De zwarthalsbaardvogel (Lybius torquatus) heeft een geheel rood gezicht met zwarte halsband, een zwarte snavel en een grijsbruine rug. De bruinborstbaardvogel (Pogonornis melanopterus), verder oostelijk, heeft een bruine borstband en een rode kop.

Leefgebied

Oeverbos, galerijbos, bosranden en hoog miombo met vijgen en andere vruchtdragende bomen, ook verwilderde tuinen en aanplant bij dorpen. Leeft van vruchten en insecten en broedt in een zelf uitgehakte holte in een dode tak.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied beperkt tot het noorden: het noorden en oosten van Angola en het noorden en noordoosten van Zambia; overal schaars en plaatselijk. Daarbuiten van Gabon en Congo-Brazzaville door het zuiden van Congo-Kinshasa tot het westen van Tanzania.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek langs de galerijbossen van Noord- en Noordwest-Zambia, bij vruchtdragende vijgen waar ook andere baardvogels afkomen. Paren zijn standvogel maar stil en onopvallend; ga af op het droge krek en let op de lichte snavel en de gekleurde buikvlek wanneer de vogel omhoog klautert.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; de IUCN voert de soort onder de oudere naam Lybius minor. Buiten het gebied plaatselijk vrij algemeen; binnen het gebied schaars en weinig onderzocht.

Wetenschappelijke naam

Pogonornis minor | (Cuvier, GLCFD, 1816)

Cuvier, GLCFD beschreef de soort in 1816 als Pogonias minor; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pogonornis werd in 1828 ingevoerd door Billberg. Pogonornis komt van het Griekse pōgōn, 'baard', en ornis, 'vogel' — 'baardvogel', naar de borstels rond de zware snavel. minor is Latijn voor 'kleiner' — deze baardvogel is kleiner dan zijn naaste verwanten. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit noord-Angola (achteraf aangewezen).