Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Roodkopblauwsnavel

Roodkopblauwsnavel | Spermophaga ruficapilla

Red-Headed Bluebill | Estrilda Piquigorda Cabecirroja

De roodkopblauwsnavel is een forse, schuwe astrild van de ondergroei van tropisch bos, met een zware, glanzend staalblauwe snavel met rode punt. Binnen het gebied komt hij alleen voor in de bossen van het noordwesten van Angola, waar hij tot de gewilde soorten van het escarpmentbos behoort.

Roodkopblauwsnavel (Spermophaga ruficapilla)
Foto: Francesco Veronesi from Italy — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een hoog, scherp tsiet als contactroep en bij onraad een droog, snel tsjek-tsjek. De zang is een zachte, vloeiende reeks hoge fluittonen die overgaat in een triller, vaak nauwelijks hoorbaar boven de geluiden van het bos.

Luister: RoepXC976868

Opname: Jonathan Onongo — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

14–15 cm, gedrongen, met een zware kegelsnavel die metaalblauw is met een rode punt en rode snijranden. Het mannetje heeft een karmijnrode kop, keel en borst en rode flanken; rug en vleugels zijn donker leigrijs tot zwartachtig, de buik is zwart, stuit en bovenstaartdekveren zijn rood en de staart is zwart. Het vrouwtje heeft dezelfde rode kop en borst, maar de zwarte buik en flanken zijn dicht bezet met witte stippen. Jonge vogels zijn egaal donker grijsbruin met een doffere snavel en slechts een zweem rood op de stuit. Houdt zich laag in de ondergroei op en foerageert veel op de grond.

Verwarrings­soorten

De purperastrild (Pyrenestes ostrinus) heeft eveneens een rode kop en borst op een zwart lichaam, maar een nog zwaardere, blauwzwarte snavel zonder rode punt en een rode in plaats van zwarte staart; het vrouwtje is bruin met rood op kop en stuit en heeft geen witte stippen. Andere blauwsnavels komen binnen het gebied niet voor. Snavelkleur, staartkleur en de witte stippen van het vrouwtje geven steeds de doorslag.

Leefgebied

Ondergroei, randen en open plekken van vochtig laagland- en escarpmentbos, galerijbos en dichte struiken langs bosbeken, ook verwilderde koffieplantages onder schaduwbomen. Foerageert alleen of in paren op of vlak boven de grond op zaden van grassen en zeggen, en eet daarnaast insecten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied alleen in Angola: de escarpmentbossen van Cuanza Sul (onder meer rond Gabela en Kumbira) en de bossen van Cuanza Norte, Uíge en Malanje. Daarbuiten van de Centraal-Afrikaanse Republiek en Zuid-Soedan via het oosten van Congo-Kinshasa, Oeganda, Rwanda en Burundi tot West-Kenia en Tanzania.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek in het Kumbirabos en rond Gabela vroeg in de ochtend langs bospaden en open plekken met zaaddragende grassen, waar vogels uit de ondergroei even naar buiten komen. De soort is schuw en duikt bij verstoring direct weg; wacht rustig bij de plek waar een vogel verdween. Het hoge tsiet verraadt de vogel meestal eerder dan het rood.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en in Oost-Afrika plaatselijk algemeen. In Angola is het areaal klein en versnipperd; kap van escarpmentbos voor landbouw en het verdwijnen van oude schaduwkoffie zijn daar de belangrijkste bedreigingen.

Wetenschappelijke naam

Spermophaga ruficapilla | (Shelley, 1888)

Shelley beschreef de soort in 1888 als Spermospiza ruficapilla; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Spermophaga werd in 1837 ingevoerd door Swainson. Spermophaga komt van het Griekse sperma, 'zaad', en -phagos, '-etend' — 'zaadeter', naar de zware snavel en het zaadrijke dieet. ruficapilla komt van het Latijnse rufus, 'rood', en capillus, 'hoofdhaar' — naar de rode kop. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Bellima, Uele-gebied, DR Congo.