Alle soorten › Zangvogels › Wevers › Roodkopprachtwever

Roodkopprachtwever | Malimbus rubricollis

Red-Headed Malimbe | Malimbo Cabecirrojo

De roodkopprachtwever is de grootste prachtwever: een zwarte woudwever met een rode kap van kruin tot nek, die als een boomklever langs dikke takken en stammen klimt. In het gebied leeft hij alleen in de bossen van het noorden en midden-westen van Angola.

Roodkopprachtwever (Malimbus rubricollis)
Foto: Attila Steiner — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

Een schor, raspend tsjerr en een droog, nasaal gekwetter; het mannetje zingt een snelle reeks krassende en piepende tonen. Vaak het eerste wat men van de vogel hoort in een gemengde groep.

Luister: ZangXC522236

Opname: Étienne Leroy — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

18–20 cm, fors, met een lange, zware, spitse zwarte snavel. Het mannetje is geheel zwart met een rode kap die van de kruin over achterhoofd en nek tot op de halszijden loopt; voorhoofd, gezicht en keel zijn zwart. Het vrouwtje is gelijk, maar het rood begint verder naar achteren, zodat het voorhoofd en de voorkruin zwart zijn. Jonge vogels zijn doffer zwartbruin met een oranjeachtige tot bruinrode kap.

Verwarrings­soorten

De kuifprachtwever (Malimbus malimbicus) is kleiner en heeft een rode keel en bovenborst en een korte kuif; bij de roodkopprachtwever zijn keel en gezicht zwart. De fluweelwever (Ploceus nigerrimus) heeft geen rood en een geel oog. Door het klimgedrag op dikke takken en stammen kan de vogel op afstand aan een specht of een boomklever doen denken, maar het zwart met de rode kap is onmiskenbaar.

Leefgebied

Hoog regenwoud, bosranden, secundair bos, rivierbos en plantages met hoge schaduwbomen of oliepalmen, ook bij dorpen. Leeft in het bladerdak en de middenlaag, paarsgewijs of in kleine groepen, vaak met gemengde groepen; klimt langs takken en stammen, pikt in schors, dode takken en epifyten naar insecten en eet ook vruchten van de oliepalm. Het nest hangt hoog aan het uiteinde van een tak of palmblad, met een lange ingangsbuis.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen in Angola: Cabinda, de woudgebieden van Uíge en Cuanza Norte, het noorden van Bengo en Malanje, en zuidelijk langs de escarpment tot in Cuanza Sul (onder meer rond Gabela en Kumbira). Daarbuiten van Guinee en Sierra Leone via Ghana, Nigeria en Kameroen tot Congo-Kinshasa, Oeganda en het westen van Kenia.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De escarpmentbossen van Cuanza Sul en de koffiebossen van Uíge zijn de beste plekken. Luister naar het schorre gekwetter van een gemengde groep en zoek de dikke takken hoog in het bladerdak af; de vogel verraadt zich door zijn klimgedrag en de rode kap die oplicht tegen het donkere lover.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en in West- en Centraal-Afrika wijdverspreid en vrij algemeen. In Angola beperkt tot versnipperde bosresten die door houtkap, akkerbouw en brand verder krimpen; de populatie op de escarpment is daardoor kwetsbaar.

Wetenschappelijke naam

Malimbus rubricollis | (Swainson, 1838)

Swainson beschreef de soort in 1838 als Ploceus rubricollis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Malimbus werd in 1805 ingevoerd door Vieillot. Malimbus is afgeleid van Malimba (Malimbe), een plaats aan de kust van het huidige Cabinda (Angola), waar de eerste exemplaren werden verzameld. rubricollis komt van het Latijnse ruber, 'rood', en collum, 'hals' — naar de rode kop en nek. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Malimbe, Cabinda (Angola).