Alle soorten › Duifachtigen › Duiven › Roodoogtortel
Roodoogtortel | Streptopelia semitorquata
Red-Eyed Dove | Tórtola Ojirroja
De roodoogtortel is de grootste en donkerste tortel van zuidelijk Afrika, een vogel van rivierbos, parken en tuinen met hoge bomen. De rode oogring en de zwarte halsband onder een roze kop zijn van dichtbij goed te zien.
Geluid
Een zesledig, ritmisch koeren met een eigen cadans, koe-koe, KOE-koe-koe-koe, in het Engels weergegeven als I am a RED-eyed dove. Daarnaast een zacht, grommend kroerr en een klaaglijk kwaa bij het landen.
Opname: Richard White — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
Ongeveer 34 cm, fors en donker. Kop roze-wijnkleurig met een lichtgrijs voorhoofd, borst diep roze-wijnrood, buik grijzer. Op de achterhals ligt een zwarte halsband. Mantel en vleugels zijn donker grijsbruin, de handpennen donkerder. Het oog is donker oranjerood en omgeven door een kale, donkerrode oogring. De staart is van onderen zwartachtig aan de basis met een brede lichtgrijze, niet witte, eindband. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn doffer, met een onvolledige halsband en lichte veerranden.
Verwarringssoorten
De Kaapse tortel (Streptopelia capicola) is kleiner en veel bleker, met een donker oog zonder rode oogring en met witte staarthoeken. De treurtortel (Streptopelia decipiens) heeft een zuiver grijze kop, een licht, geelachtig oog, een lichtere buik en witte staarthoeken. De rouwtortel (Streptopelia lugens) in het hoogland van Malawi en Zambia is donkerder, met roodbruin geschubde schouders en een zwarte vlek aan de halszijde in plaats van een halsband.
Leefgebied
Rivier- en oeverbos, bosranden, groepen hoge bomen in savanne, plantages van eucalyptus en populier, parken en tuinen. Foerageert op de grond, vaak op akkers en in tuinen, op zaden, graan en gevallen vruchten, en rust in dicht gebladerte. Heeft water in de buurt nodig.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
In het oosten en noorden van het gebied algemeen: oostelijk Zuid-Afrika, Lesotho, Eswatini, Zimbabwe, Mozambique, Malawi, Zambia en Angola, en in het noorden van Botswana en Namibië (Okavango, Chobe, Zambezi-regio, Kunene). Heeft zich langs rivieren en met aangeplante bomen westwaarts uitgebreid tot in de Karoo en de West-Kaap. Verder over Afrika ten zuiden van de Sahara en in het zuidwesten van Arabië.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Langs grote rivieren, in rustkampen van wildparken en in tuinen met hoge bomen; de roep is vaak eerder te horen dan de vogel te zien. Let bij drinkplaatsen op de grootte, de donkere tint, de lichtgrijze staarteindband en de rode oogring, om haar te scheiden van de Kaapse tortel. Jaarrond.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd en algemeen. De soort heeft geprofiteerd van boomaanplant, tuinen en irrigatie, en heeft haar areaal in het zuidwesten aanzienlijk uitgebreid.
Wetenschappelijke naam
Streptopelia semitorquata | (Rüppell, 1837)
Rüppell beschreef de soort in 1837 als Columba semitorquata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Streptopelia werd in 1855 ingevoerd door Bonaparte. Streptopelia is Grieks, van streptos 'halsband, gedraaide ketting' en peleia 'duif', naar de donkere halsband van deze tortels. semitorquata is Latijn voor 'met een halve halsband' — naar de zwarte band op de achterhals. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Tarantagebergte, Ethiopië.


