Alle soorten › Zangvogels › Wevers › Roodsnavelbuffelwever

Roodsnavelbuffelwever | Bubalornis niger

Red-Billed Buffalo Weaver | Bufalero Piquirrojo

De roodsnavelbuffelwever is een grote, zwarte wever met een rode snavel, die in luidruchtige kolonies enorme, stekelige takkennesten bouwt in baobabs, acacia's en windmolens. Het mannetje is een van de weinige zangvogels met een penisachtig orgaan.

Roodsnavelbuffelwever (Bubalornis niger)
Foto: Greg Tee — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Luid en uitbundig: een reeks rollende, gorgelende en klepperende noten, tsjip-tsjip-doedelie-doedelie-doe, door het mannetje met gespreide vleugels vanaf het nest ten beste gegeven. Daarnaast een hard gekwetter binnen de kolonie en een schurend alarm.

Luister: ZangXC683981

Opname: isaac kilusu — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

22–24 cm, groot en spreeuwachtig, met een zware kegelsnavel. Het mannetje is dof zwart met witte vlekken op de flanken en een witte basis van de handpennen, die in vlucht als een duidelijke witte vleugelvlek opvalt; de snavel is helder rood, in de broedtijd feller. Het vrouwtje is donkerbruin, met witachtige schubben en strepen op keel en onderzijde, en heeft een doffere, oranjerode tot hoornkleurige snavel. Jonge vogels lijken op het vrouwtje, met een bleke, roze tot hoornkleurige snavel.

Verwarrings­soorten

De dikbekwever (Amblyospiza albifrons) is kleiner, bruinzwart met een witte vlek aan de vleugelbasis en een zware donkere snavel, en leeft in riet en bosranden. De roodvleugelspreeuw (Onychognathus morio) is slanker, met een glanzend zwart kleed, kastanjebruine handpennen en een zwarte snavel. De treurdrongo (Dicrurus adsimilis) heeft een gevorkte staart en een fijne zwarte snavel. De rode snavel en de witte flankvlekken zijn doorslaggevend.

Leefgebied

Droge savanne, mopaneveld, acaciaveld en Kalahari-doornveld, vooral met grote bomen; ook bij boerderijen, windmolens en veedrinkplaatsen. Foerageert in groepen op de grond naar insecten, zaden en vruchten, vaak in de buurt van grazend vee of wild. De kolonies zijn grote, ruwe massa's doornige takken met afzonderlijke broedkamers, vaak in baobabs of hoge acacia's.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied in het noorden en midden van Namibië, het noorden en oosten van Botswana, Zimbabwe (vooral de lage delen), het zuiden van Mozambique, het noorden en noordoosten van Zuid-Afrika (Limpopo, Mpumalanga, Noordwest en het lowveld), het laagland van Eswatini, het zuiden van Zambia (Zambezivallei, Luangwa), het zuiden van Malawi en het zuidwesten van Angola. Daarbuiten van Tanzania en Kenia tot Ethiopië, Somalië en Zuid-Soedan.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Gemakkelijk in het Krugerpark, in Etosha, Chobe en de mopane van Noord-Botswana en Zimbabwe: zoek naar een baobab of hoge acacia met grote, ruige takkennesten. In de broedtijd zingt het mannetje met trillende, gespreide vleugels op het nest. Let bij vrouwtjes en jonge vogels op de bruine geschubde onderzijde en de bleke snavel.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; algemeen en wijdverspreid in de droge savannes van het gebied. Profiteert plaatselijk van windmolens en veedrinkplaatsen, maar het kappen van grote bomen kan kolonies verdrijven.

Wetenschappelijke naam

Bubalornis niger | Smith, 1836

Smith beschreef de soort in 1836 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Bubalornis voerde hij in datzelfde werk in. Bubalornis komt van het Griekse boubalos, 'buffel', en ornis, 'vogel' — naar de gewoonte van buffelwevers om bij buffels en ander groot wild te foerageren. niger is Latijn voor 'zwart' — naar het grotendeels zwarte verenkleed van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kurrichane, bij Zeerust, Noordwest (Zuid-Afrika).