Alle soorten › Zangvogels › Wevers › Mahaliwever

Mahaliwever | Plocepasser mahali

White-Browed Sparrow-Weaver | Tejedor-gorrión Cejiblanco

De mahaliwever is een grote, luidruchtige mussenwever van droge savanne, herkenbaar aan de brede witte wenkbrauwstreep en de helderwitte stuit in vlucht. Groepen leven jaarrond samen en bouwen talrijke slordige strooien nesten aan de lijzijde van acacia's.

Mahaliwever (Plocepasser mahali)
Foto: Lip Kee from Singapore, Republic of Singapore — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luide, vloeiende en gevarieerde fluitzang, tsjie-oep-prie-oe-tsjop, vaak al voor zonsopgang en door de groep in koor. Het alarm is een hard, schurend tsjik-tsjik.

Luister: ZangXC1037280

Opname: Filippo Ceccolini — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

16 tot 19 cm, fors en musachtig, met een zware kegelsnavel. De kruin is donkerbruin, begrensd door een brede witte wenkbrauwstreep; daaronder een donkere oogstreep en een smalle zwarte baardstreep. Rug en vleugels zijn bruin met twee witte vleugelstrepen; de stuit is zuiver wit en in vlucht zeer opvallend. De onderdelen zijn wit. De snavel is bij het mannetje zwart, bij het vrouwtje hoornkleurig. In Zambia hebben vogels vaak een reeks fijne bruine vlekjes op de borst.

Verwarrings­soorten

De roodrugwever (Plocepasser rufoscapulatus) van miombo in Angola, het noorden en midden van Zambia en het noorden van Malawi heeft een warm kastanjebruine mantel en rug; de kop is contrastrijk getekend, met een donkere kruin en donkere strepen door het oog en langs de keel op een lichte ondergrond. De Mozambiquemus (Passer diffusus) heeft een grijze kop zonder witte wenkbrauw en geen witte stuit. De republikeinwever (Philetairus socius) is kleiner, met een zwarte keelvlek en geschubde flanken. De combinatie van witte wenkbrauw, witte vleugelstrepen en witte stuit sluit alle andere soorten uit.

Leefgebied

Droge acaciasavanne, Kalahari-doornveld, mopaneveld, droge rivierbeddingen en boerenerven, kampen en dorpsranden. Foerageert in groepen op de grond naar insecten en zaden. Bouwt strooien nesten met twee ingangen als slaapnest en met één ingang als broednest, vaak tientallen in één boom, aan de westkant, weg van de overheersende wind.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied vrijwel heel Namibië op de Namib na, heel Botswana, het zuiden en westen van Zimbabwe, het noorden van Zuid-Afrika (Noord-Kaap, Noordwest, Limpopo, Gauteng en de Vrijstaat), het zuiden van Angola, het zuidwesten en zuiden van Zambia en marginaal het zuidwesten van Mozambique. Daarbuiten in Oost-Afrika, van Tanzania en Kenia tot Somalië, Ethiopië en Zuid-Soedan.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Een van de gemakkelijkste soorten van droge savanne: in de rustkampen van Etosha, Kgalagadi en de Kalahari is hij tam en luid. Het broedsysteem is coöperatief: een dominant paar broedt, jongere groepsleden helpen voeren. Kijk naar de nesten; hun plaatsing aan één kant van de boom verraadt de heersende windrichting.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Algemeen en wijdverspreid in droge savanne, zonder aanwijzingen voor achteruitgang. Profiteert van boerenerven en kampen, waar bomen en voedsel beschikbaar zijn.

Wetenschappelijke naam

Plocepasser mahali | Smith, 1836

Smith beschreef de soort in 1836 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Plocepasser voerde hij in datzelfde werk in. Plocepasser combineert Ploceus (wevers, van het Griekse plokeus, 'vlechter') met Passer, 'mus' — een mussachtige wever. mahali gaat terug op de Tswana-naam Moğale of Mùxálí, 'dapper persoon, moedige krijger', voor deze vogel; Smith (1836) nam bewust inheemse namen over. De naam slaat vermoedelijk op het scheldende geluid. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Modderrivier bij de samenvloeiing met de Riet, Vrijstaat (Zuid-Afrika).