Alle soorten › Zangvogels › Leeuweriken › Roodsnavelleeuwerik

Roodsnavelleeuwerik | Spizocorys conirostris

Pink-Billed Lark | Alondra Piquirrosa

De roodsnavelleeuwerik is een kleine, gedrongen leeuwerik met een korte, kegelvormige roze snavel, die in paartjes of kleine groepjes door kort grasland scharrelt. Hij is onopvallend en stil, en wordt vaak pas gezien als een klein groepje voor de voeten opvliegt.

Roodsnavelleeuwerik (Spizocorys conirostris)
Foto: Alan Manson — CC BY 4.0 · iNaturalist

Geluid

De roep is een zacht, hoog tsjie-tsjie of twiet, vaak gegeven bij het opvliegen. De zang, in een fladderende baltsvlucht of vanaf de grond, is een korte reeks ijle, twitterende noten, tsie-tsie-tsieuw. Weinig opvallend; bij wind vrijwel onhoorbaar.

Luister: VluchtroepXC906196

Opname: Dawie de Swardt — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

12–13 cm. Klein, rond en kortstaartig, met een korte, dikke, kegelvormige snavel die roze tot vleeskleurig is. De bovendelen zijn bruin met donkere strepen en lichte randen; de kruin is gestreept, met een bleke wenkbrauwstreep en een donkere baardstreep die het gezicht een zwakke tekening geeft. De onderdelen zijn warm okerkleurig tot roestbruin, met fijne streepjes op de borst en een lichte keel. De staart is donker met lichte buitenranden. Seksen gelijk. De vogels kruipen gebukt tussen de graspollen en drukken zich bij gevaar.

Verwarrings­soorten

Botha's leeuwerik Spizocorys fringillaris van de hooggelegen graslanden van Mpumalanga en de noordoostelijke Vrijstaat is zwaarder zwart geschubd van boven, bleker van onderen en heeft duidelijk witte buitenste staartpennen. Starks leeuwerik Spizocorys starki heeft een kuif, is veel bleker en leeft op kale grindvlakten. Vrouwtjes vinkleeuweriken, zoals de grijsrugvinkleeuwerik Eremopterix verticalis, hebben een zwaardere, grijzere snavel en een donkere buikvlek. De roodkapleeuwerik Calandrella cinerea is groter, met een roestkleurige kruin en borstvlekken en een witte onderzijde.

Leefgebied

Kort en open grasland, vaak begraasd of pas afgebrand, en de graslanden en zandvlakten van de Kalahari met polgrassen. In het hoogveld ook op braakliggende akkers. Foerageert op de grond op graszaden en kleine insecten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Endemisch voor zuidelijk Afrika. In Zuid-Afrika in het hoogveld van de Vrijstaat, Gauteng, Mpumalanga en de Noordwest-provincie, en in de oostelijke Noord-Kaap; plaatselijk in Lesotho. Daarnaast in de Kalahari van Botswana en het oosten en midden van Namibië, en in de grasvlakten van westelijk Zambia (onder andere de Liuwa-vlakte). Verschijnt in droge jaren nomadisch buiten de gebruikelijke gebieden.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Loop langzaam door kort begraasd of pas afgebrand grasland in het hoogveld en let op kleine groepjes die laag opvliegen en even verderop weer neervallen. Luister naar de zachte, hoge roep bij het opvliegen. Vergelijk in de omgeving van Wakkerstroom en Amersfoort nauwkeurig met Botha's leeuwerik: kijk naar de staartzijden en de tekening van de rug.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; plaatselijk algemeen, maar door zijn nomadische gedrag lastig te tellen. Omzetting van grasland in akkers en bebossing met uitheemse bomen hebben het leefgebied in het hoogveld verkleind.

Wetenschappelijke naam

Spizocorys conirostris | (Sundevall, 1850)

Sundevall beschreef de soort in 1850 als Alauda conirostris; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Spizocorys werd in 1872 ingevoerd door Sundevall. Spizocorys komt van het Griekse spiza, 'vink', en korudos, 'kuifleeuwerik' — naar de korte, vinkachtige snavel van deze kleine leeuweriken. conirostris komt van het Latijnse conus, 'kegel', en rostrum, 'snavel' — naar de korte, kegelvormige (roze) snavel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit ten noorden van de Drakensberg, voormalig Transvaal, Zuid-Afrika.