Alle soorten › Zangvogels › Leeuweriken › Starks leeuwerik

Starks leeuwerik | Spizocorys starki

Stark's Lark | Alondra de Stark

Starks leeuwerik is een kleine, bleke leeuwerik met een opvallende puntkuif en een kegelvormige roze snavel, bijna onzichtbaar op de grindvlakten van de Namib en het westen van de Karoo. Hij leeft in zwermen die rondzwerven naar plaatsen waar het geregend heeft, en broedt daar vaak binnen enkele weken.

Starks leeuwerik (Spizocorys starki)
Foto: Flickr user Alastair Rae . Photo uploaded to commons by user ltshears — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang wordt meestal gegeven in een hoge baltsvlucht: de vogel cirkelt hoog boven de vlakte met een onregelmatig, tjilpend en twitterend liedje van korte noten. De roep in vlucht en bij het opvliegen is een zacht, droog tsjrie of tsjiep-tsjiep, dat in zwermen doorlopend te horen is.

Luister: RoepXC696099

Opname: Ken Behrens — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

13–14 cm. Klein en tamelijk slank, met een korte staart en een kegelvormige, bleekroze tot hoornkleurige snavel. De kruin draagt een lange, spitse kuif die ook plat nog achter op de kop uitsteekt. De bovendelen zijn bleek zandgrijs met fijne donkere streepjes, afgestemd op de ondergrond. Het gezicht is licht met een bleke oogring en weinig tekening; de onderdelen zijn wit met een zwakke okerwaas en fijne streepjes op de borst. De buitenste staartpennen zijn wit. Seksen gelijk; jonge vogels zijn gevlekt van boven.

Verwarrings­soorten

De roodsnavelleeuwerik Spizocorys conirostris heeft geen kuif, is warmer roodbruin van onderen en leeft in graslanden. De Namaqualeeuwerik Spizocorys sclateri van de stenige vlakten van Boesmanland en zuidelijk Namibië is donkerder, met een zware snavel en een donkere traanvlek onder het oog. De grijsrugvinkleeuwerik Eremopterix verticalis, vaak in gemengde zwermen, heeft een dikkere snavel en een donkere onderzijde bij het mannetje; het vrouwtje heeft een zwarte buikvlek. De roodkapleeuwerik Calandrella cinerea is groter, met een roestkleurige kruin en roestbruine borstvlekken.

Leefgebied

Kale grind- en steenvlakten met schaarse korte grassen en dwergstruikjes in de Namib en de pro-Namib, en open vlakten in de droge Nama-Karoo. Na regen in grote aantallen op vlakten met nieuw opgeschoten gras. Drinkt regelmatig bij drinkplaatsen voor vee.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Bijna-endemisch voor het westen van zuidelijk Afrika: het grootste deel van Namibië, vooral de Namib, de pro-Namib en het centrale plateau, noordwaarts tot het zuidwesten van Angola (Namibe), en zuidwaarts tot Boesmanland en het noordwesten van de Noord-Kaap in Zuid-Afrika. In natte jaren zwermt hij uit tot in het zuidwesten van Botswana en verder oostelijk in de Noord-Kaap. Buiten het gebied niet bekend.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek na een regenbui op de grindvlakten langs de wegen door de Namib, bijvoorbeeld tussen Walvisbaai en de Namib-Naukluft of rond Aus, en controleer zwermen kleine leeuweriken en vinkleeuweriken bij drinkplaatsen in de ochtend. De kuif en de bleke roze snavel zijn aan de grond de beste kenmerken. Op warme dagen staan de vogels in de schaduw van een steen of paal.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Het verspreidingsgebied is groot en grotendeels onbewoond; aantallen schommelen sterk met de regenval, maar er zijn geen tekenen van een blijvende achteruitgang. Mijnbouw en klimaatverandering zijn mogelijke toekomstige bedreigingen.

Wetenschappelijke naam

Spizocorys starki | (Shelley, 1902)

Shelley beschreef de soort in 1902 als Calandrella starki; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Spizocorys werd in 1872 ingevoerd door Sundevall. Spizocorys komt van het Griekse spiza, 'vink', en korudos, 'kuifleeuwerik' — naar de korte, vinkachtige snavel van deze kleine leeuweriken. starki eert de Engelse arts en ornitholoog Arthur Cowell Stark (1846–1899), die de soort verzamelde en omkwam tijdens het beleg van Ladysmith. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Wilson's Fountain, Groot-Namakwaland, Namibië.