Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Schreeuwarend
Schreeuwarend | Clanga pomarina
Lesser Spotted Eagle | Águila Pomerana
De schreeuwarend is een middelgrote, egaal bruine arend die in Oost-Europa broedt en de zuidelijke zomer in de savannes van zuidelijk Afrika doorbrengt. Hij trekt in grote aantallen over de Bosporus en Suez naar het zuiden en verschijnt in het gebied vaak in losse groepen, samen met steppearenden, bij zwermen termieten en vogels.
Geluid
In het overwinteringsgebied vrijwel altijd stil. In het broedgebied een hoog, keffend kjep-kjep of jip-jip, dat aan een blaffend hondje doet denken en waaraan de soort haar Nederlandse naam dankt.
Opname: Uku Paal — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
55–67 cm, spanwijdte 146–168 cm. Een compacte, vrij kleine arend met een smalle, korte snavel, een ronde neusopening en nauw bevederde, dunne ‘kousen’ op de poten. Volwassen vogels zijn middenbruin met een iets lichtere kop en lichtere bovenvleugeldekveren, die contrasteren met de donkere slagpennen. Van onderen zijn de ondervleugeldekveren iets lichter dan of even donker als de slagpennen, en aan de basis van de handpennen ligt vaak een dubbele lichte ‘komma’. Een smalle witte vlek op de stuit en een kleine lichte vlek op de handpenbasis van de bovenvleugel zijn goede kenmerken. Jonge vogels zijn donkerder chocoladebruin met een rij witte stippen langs de grote dekveren, een witte achterrand aan vleugel en staart en een roestkleurige nekvlek. In de vlucht houdt de vogel de vleugels licht gebogen en de handpennen iets omlaag.
Verwarringssoorten
De steppearend Aquila nipalensis is groter, met een zwaardere snavel, een mondhoek die tot achter het oog loopt, dichter bebroekte poten en bij adulten een duidelijk gebandeerde onderkant van de slagpennen; jongen hebben een brede witte vleugelstreep. De savannearend Aquila rapax is zwaarder, meestal lichter en roomkleuriger van onderen en heeft een ovale neusopening en een ruige broek. De Wahlbergs arend Hieraaetus wahlbergi heeft een lange, rechte staart, een kleine kuif en recht afgesneden vleugels.
Leefgebied
In het gebied vooral in vochtig tot halfdroog bosveld: miombo, gemengd bosveld en open acaciasavanne, soms ook boven landbouwgrond. Foerageert graag op de grond of vanuit de lucht bij zwermende termieten, op jonge queleas bij broedkolonies en op muizen en kikkers na zware regen. Rust in hoge bomen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Vooral in het noorden en oosten van het gebied: Zambia, Malawi, Zimbabwe, het noorden en oosten van Botswana, de Caprivi-strook en het noordoosten van Namibië, het westen van Mozambique, het oosten van Angola en in natte jaren het noordoosten van Zuid-Afrika, met name Limpopo en het Krugerpark; zeldzaam verder naar het zuiden en westen. Broedt van Oost-Duitsland en Polen tot het Balkan- en Kaukasusgebied en Turkije; de hele wereldpopulatie overwintert in Afrika ten zuiden van de evenaar.
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Zoek in december–februari naar plekken waar na onweersbuien vliegende termieten uit de grond komen; daar verzamelen zich soms tientallen arenden, samen met steppearenden, wouwen en valken. Het vliegbeeld met de licht hangende handpennen en de korte staart, plus de kleine witte stuitvlek, maakt het verschil met de zwaardere steppearend. Vogels met satellietzenders laten zien dat individuen van jaar tot jaar in hetzelfde deel van Zambia en Zimbabwe overwinteren.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd op de Rode Lijst. De Europese broedpopulatie is vrij stabiel maar gevoelig voor ontbossing, drooglegging van natte weilanden en afschot tijdens de trek, vooral in het Midden-Oosten. In zuidelijk Afrika zijn vergiftiging bij termieten- en queleabestrijding en aanvaringen met elektriciteitsleidingen risico's.
Wetenschappelijke naam
Clanga pomarina | (Brehm, 1831)
Brehm beschreef de soort in 1831 als Aquila Pomarina; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Clanga werd in 1857 ingevoerd door Adamowicz. Clanga komt van het Oudgriekse klangos, bij Aristoteles de naam van een arend; anderen brengen het terug op klangē 'geschreeuw'. pomarina verwijst naar Pommeren, de voormalige Pruisische provincie waar het typemateriaal vandaan kwam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Pommeren.


