Alle soorten › Zangvogels › Graszangers › Tanzania-apalis
Tanzania-apalis | Apalis melanocephala
Black-Headed Apalis | Apalis Cabecinegro
De Tanzania-apalis is een slanke, langstaartige apalis met een zwarte kop, een donkere rug en een zuiver witte onderzijde, die hoog in het bladerdak van bos rondtrekt. De soort is vooral een vogel van de Oost-Afrikaanse kust en berggebieden; in het gebied bereikt hij zijn zuidgrens in het zuiden van Malawi, midden-Mozambique en het uiterste oosten van Zimbabwe. Wie hem wil zien moet omhoog kijken en goed luisteren.
Geluid
Een luide, snel herhaalde reeks heldere fluittonen, tsjwie-tsjwie-tsjwie-tsjwie, vaak als duet waarbij de partner met een droger tsjrrrt invalt. Contactroep een kort, scherp tsip. De zang draagt ver door het bos en is meestal het eerste teken dat de soort aanwezig is.
Opname: Richard Dunn — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
12–14 cm, met een lange, getrapte staart. Kop en nek zijn zwart, overgaand in een donker grijsbruine tot zwartachtige rug en vleugels; kin, keel en de hele onderzijde zijn helder wit, scherp afgezet tegen de zwarte kop en zonder borstband. De staart is zwartachtig, de buitenste pennen met witte punten die bij het spreiden opvallen. De snavel is zwart en dun, de poten roze-bruin. Vrouwtjes zijn wat doffer, met een grijzer zwarte kop; jonge vogels zijn bruinachtig van boven met een grijze kop. Houdt de staart vaak schuin omhoog en zwaait ermee heen en weer terwijl hij door het blad hipt.
Verwarringssoorten
De halsbandapalis Apalis thoracica heeft een smalle zwarte borstband op een witte of gele onderzijde en een grijze of groenige rug, en leeft doorgaans in hoger gelegen bergbos. De Chirinda-apalis Apalis chirindensis, die in het oosten van Zimbabwe en op de Gorongosa naast de Tanzania-apalis voorkomt, is geheel grijs, zonder zwarte kop of witte onderzijde. Rudds apalis Apalis ruddi van de kustbossen van Zuid-Mozambique heeft een groene rug, een witte wenkbrauwstreep en een zwarte borstband. Een zwarte kop, een donkere rug en een ongedeelde witte onderzijde zonder band zijn bij deze soort doorslaggevend.
Leefgebied
Het bladerdak en de middelste etage van vochtig laaglandbos, kustbos en bos op middelhoge hellingen, ook dicht oeverbos, groepen hoge bomen in theeplantages en de randen van bos, tot ongeveer 1500 meter. Foerageert in paren of in gemengde groepen met andere zangers op insecten tussen blad en ranken, vaak hoog in de kronen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Binnen het gebied alleen aan de zuidrand van het areaal: in het zuiden van Malawi (onder meer het Thyolo-bos), in midden-Mozambique (de Gorongosa en omliggende bossen) en in het uiterste oosten van Zimbabwe in de laaglandbossen van Haroni-Rusitu. Daarbuiten van het zuiden van Somalië en de Keniaanse kust zuidwaarts door oostelijk Tanzania tot in het noorden van Mozambique.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Jaarrond; in Zimbabwe is Haroni-Rusitu de bekende plek, waar ook de Chirinda-apalis te vinden is, en in Malawi het Thyolo-bos. Luister naar de herhaalde fluitreeks en zoek daarna het bladerdak af; de witte onderzijde licht op tegen het donkere blad. Gemengde groepen zangers, waarin de apalis vaak meetrekt, zijn het beste aanknopingspunt.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd over het hele areaal, maar binnen het gebied schaars en plaatselijk. De kleine bosresten aan de zuidrand, zoals Haroni-Rusitu en Thyolo, zijn sterk versnipperd en lijden onder kap, landbouw en uitbreiding van plantages; bescherming van deze bossen bepaalt het lot van de populaties hier.
Wetenschappelijke naam
Apalis melanocephala | (Fischer & Reichenow, 1884)
Fischer & Reichenow beschreef de soort in 1884 als Burnesia melanocephala; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Apalis werd in 1833 ingevoerd door Swainson. Apalis komt van het Griekse hapalos, 'teer, sierlijk' — naar deze slanke, fijn gebouwde zangertjes. melanocephala komt van het Griekse melas, 'zwart', en kephalē, 'kop' — naar de donkere kop. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Pangani, kust van Tanzania.

