Alle soorten › Zangvogels › Vliegenvangers en tapuiten › Vlaktespekvreter

Vlaktespekvreter | Emarginata sinuata

Sickle-Winged Chat | Colinegro Sudafricano

De vlaktespekvreter is een bescheiden grijsbruine tapuit van de open vlakten van de Karoo en het hoogland, die veel op de grond rondloopt en vaak over het hoofd wordt gezien tussen de talrijkere roodstaartspekvreters. Hij dankt zijn Engelse naam aan de sikkelvormig ingesneden buitenste handpen, die in het veld niet te zien is.

Vlaktespekvreter (Emarginata sinuata)
Foto: Jan Ebr — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Meestal stil. De roep is een zacht tsjak of droog tik-tik. De zang is een korte, zachte strofe van kwetterende en krassende noten, soms met nabootsingen, vaak gegeven vanaf een struikje of in een korte zangvlucht.

Luister: RoepXC636143

Opname: Lynette Rudman — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

15 cm, een slanke, rechtop staande tapuit met vrij lange poten. De bovendelen zijn grijsbruin, de onderdelen licht grijsbeige met een witachtige keel en buik. Stuit en staartbasis zijn bleek oranjebeige; de staart toont een donkere T-tekening van zwartbruine middelste pennen en een brede donkere eindband. Het gezicht is vrij effen, met lichte teugels en een lichte oogring, zonder de roestige oorstreek van de roodstaartspekvreter. De vleugels zijn donkerbruin met lichte randen. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn licht gevlekt. Rent snel over kale grond en schokt minder met de vleugels dan verwante soorten.

Verwarrings­soorten

De roodstaartspekvreter (Oenanthe familiaris) is donkerder bruin, heeft een warmer roestrode stuit en staart, roestige oorstreek en schokt voortdurend met de vleugels; hij zit liever bij rotsen en gebouwen dan op open vlakten. De Karoospekvreter (Emarginata schlegelii) is groter en grijzer, met witte staartzijden en een grijze stuit. De woestijnspekvreter (Emarginata tractrac) is bleker en gedrongener, met een witte in plaats van oranjebeige stuit en een kortere staart.

Leefgebied

Open, vlakke tot zacht glooiende karoostruikvlakten, kortgegraasd grasland, renosterveld en braakliggend land, in het hoogland ook berggrasland en rotsige vlakten. Foerageert op de grond op insecten, vooral mieren en kevers, en gebruikt lage struikjes, stenen en paaltjes als uitkijkpost. Het nest ligt in een holte in de grond, onder een steen of struik.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Bijna endemisch voor het gebied: de Karoo en het binnenland van de West-, Oost- en Noord-Kaap, de Vrijstaat en het hoogland van Lesotho, verder plaatselijk in het zuiden van Namibië. Vogels van het hoogland van Lesotho en de oostelijke Vrijstaat trekken in de winter deels naar lager gelegen gebied. Buiten deze regio komt de soort niet voor.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek hem op open vlakten waar roodstaartspekvreters schaars zijn, bijvoorbeeld in de oostelijke Karoo rond Graaff-Reinet en op het plateau langs de Sani Pass. Let op een lichte, rechtop staande vogel die telkens een stukje over kale grond rent; de oranjebeige stuit is het best te zien bij het opvliegen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is plaatselijk vrij algemeen en het areaal is groot. Overbegrazing en omzetting van vlakten in akkerland kunnen het leefgebied plaatselijk aantasten, maar de populatie wordt als stabiel beschouwd.

Wetenschappelijke naam

Emarginata sinuata | (Sundevall, 1858)

Sundevall beschreef de soort in 1858 als Lusc[inia] sinuata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Emarginata werd in 1896 ingevoerd door Shelley. Emarginata komt van het Latijnse emarginatus, 'ingekeept, met uitgesneden rand', naar de sterk versmalde punt van de negende handpen van de sikkelvleugeltapuit, die bij sommige exemplaren een sikkeltje vormt. sinuata is Latijn voor 'gebogen, golvend' — waarschijnlijk naar de sikkelvormig ingesneden buitenste handpennen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Saldanhabaai, Zuid-Afrika.