Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Vorkstaartmeeuw
Vorkstaartmeeuw | Xema sabini
Sabine's Gull | Gaviota de Sabine
De vorkstaartmeeuw is een kleine, sternachtige meeuw die op de arctische toendra broedt en overwintert in de koude opwellingswateren van de Benguelastroom. Voor de kust van Namibië en West-Zuid-Afrika is hij in de zuidelijke zomer een van de talrijkste meeuwen op zee, maar vanaf het land wordt hij weinig gezien.
Geluid
In het gebied meestal stil. Soms een schril, raspend krrie, sternachtig, bij het opvliegen of in groepen.
Opname: Stein Ø. Nilsen — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto
Herkenning
30–34 cm. In elk kleed een onmiskenbaar driekleurig vleugelpatroon: zwarte buitenste handpennen, een grote witte driehoek over de achterste vleugelhelft en grijze (bij jonge vogels bruingrijze) voorvleugel en rug. De staart is wit en duidelijk gevorkt. Volwassen vogels hebben in broedkleed een donkergrijze kap met een zwarte rand en een zwarte snavel met gele punt; in het gebied zijn ze grotendeels in winterkleed, met een witte kop en een donkergrijze achternek, en in maart–april weer met kap. Jonge vogels hebben een geschubd grijsbruin hoofd, nek en rug, en een zwarte staarteindband. De poten zijn donker. De vlucht is licht en sternachtig; pikt al vliegend of zwemmend voedsel van het oppervlak.
Verwarringssoorten
De drieteenmeeuw Rissa tridactyla in jeugdkleed heeft een zwarte W over de vleugels en een zwarte nekband, maar geen grote witte driehoek; is bovendien groter. De dwergmeeuw Hydrocoloeus minutus in jeugdkleed is kleiner, met een donkere W en donkere kruin. De Hartlaubs meeuw Chroicocephalus hartlaubii en de grijskopmeeuw Chroicocephalus cirrocephalus hebben een witte voorvleugel en een rechte staart. Bij slecht licht kunnen groepjes op zee aan sterns doen denken, maar het vleugelpatroon is beslissend.
Leefgebied
Open zee boven het continentaal plat en langs de plattrand, waar koud opwellend water plankton concentreert. Eet kleine kreeftachtigen, vislarven en andere ongewervelden van het oppervlak, en volgt soms vissersboten. Komt bij harde wind in baaien en havens, zoals bij Walvisbaai en Lüderitz.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Vooral op zee voor de kust van Namibië en de westkust van Zuid-Afrika, met groepen van tientallen tot honderden vogels; schaarser rond de Kaap en voor de zuidkust, en zeldzaam voor de oostkust. Passeert ook voor Angola. Er zijn enkele gevallen in het binnenland. Broedt rond de Noordpool; vogels uit arctisch Canada en Groenland overwinteren in de Benguelastroom, die uit Alaska en Siberië voor de westkust van Zuid-Amerika.
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De beste kans is een pelagische tocht uit Kaapstad of Walvisbaai tussen november en maart; ze liggen vaak in groepjes op het water bij het continentaal plat. Vanaf de kust het best na aanlandige stormen, bijvoorbeeld in de haven en lagune van Walvisbaai.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd; de populatie is groot en stabiel. Op zee is de soort gevoelig voor olieverontreiniging en veranderingen in het planktonaanbod.
Wetenschappelijke naam
Xema sabini | (Sabine, 1819)
Sabine beschreef de soort in 1819 als Larus Sabini; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Xema werd in 1819 ingevoerd door Leach. Xema lijkt een verzonnen naam zonder betekenis; William Leach voerde hem in 1819 in zonder toelichting. sabini eert de Britse poolreiziger Edward Sabine (1788–1883), die de eerste exemplaren verzamelde op eilandjes voor de westkust van Groenland; zijn broer Joseph beschreef de soort naar dat materiaal. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Sabine-eilanden bij Groenland.
