Alle soorten › Stormvogelachtigen › Zuidelijke stormvogeltjes › Witbuikstormvogeltje

Witbuikstormvogeltje | Fregetta grallaria

White-Bellied Storm Petrel | Paíño Ventriblanco

Het witbuikstormvogeltje is een zwart-wit stormvogeltje van warmere subtropische wateren dan zijn zwartbuikige verwant. In de Atlantische Oceaan broedt het op Tristan da Cunha en Gough, en van daaruit bereiken zo nu en dan vogels de wateren voor zuidelijk Afrika.

Witbuikstormvogeltje (Fregetta grallaria)
Foto: Danmantle — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee zwijgzaam. In de broedkolonie 's nachts een hoog, fluitend gepiep, vergelijkbaar met dat van het zwartbuikstormvogeltje.

Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.

Herkenning

Ongeveer 20 cm. Kop, borst en bovendelen zijn zwartbruin, de rug is iets lichter en bruiner met lichte veerranden, en de stuit is wit. De onderzijde is vanaf de borst geheel wit, inclusief de onderstaartdekveren, en scherp afgegrensd tegen de donkere borst. De ondervleugel heeft een wit middenveld met zwarte randen. De staart is recht en de poten reiken niet of nauwelijks voorbij de staartpunt. De seksen zijn gelijk. De vlucht is als die van het zwartbuikstormvogeltje: laag, zwenkend en met sprongen waarbij de vogel met de poten van het water afzet.

Verwarrings­soorten

Het zwartbuikstormvogeltje (Fregetta tropica) heeft een zwarte middenstreep over de buik, zwarte onderstaartdekveren, een egaal zwartere rug en poten die net voorbij de staart uitsteken; een smalle of onderbroken buikstreep kan echter over het hoofd worden gezien. Het bont stormvogeltje (Pelagodroma marina) heeft een wit gezicht met een donkere oogstreep, grijze bovendelen en een donkere ondervleugel.

Leefgebied

Subtropische open oceaan ver buiten het continentaal plat, vaak boven warmer water dan het zwartbuikstormvogeltje. Foerageert op kleine kreeftachtigen, inktvisjes en vislarven aan het oppervlak. Broedt in rotsspleten en holen op afgelegen oceaaneilanden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Een zeldzame gast in de wateren van het gebied, meestal ver uit de kust voor de west- en zuidkust van Zuid-Afrika en voor Namibië, bij uitzondering in het Mozambiquekanaal. Broedt in de zuidelijke Atlantische Oceaan op Tristan da Cunha en Gough, en verder op Lord Howe, de Kermadec-eilanden en eilanden voor Chili en in Frans-Polynesië.

Hoe en wanneer kijken

Alleen te verwachten op tochten ver voorbij de rand van het plat, bijvoorbeeld vanuit Kaapstad naar de trawlers of de tonijnvelden. Elk zwart-wit stormvogeltje met een witte buik moet goed gefotografeerd worden: de kleur van de onderstaartdekveren en het wel of niet ontbreken van een buikstreep beslissen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd op wereldschaal, maar de broedpopulaties zijn op de meeste eilanden klein. Ingevoerde ratten, muizen en katten hebben kolonies uitgeroeid of teruggedrongen; op Gough vormen huismuizen een ernstige bedreiging. Verlichting van schepen en nederzettingen trekt 's nachts vogels aan.

Wetenschappelijke naam

Fregetta grallaria | (Vieillot, 1818)

Vieillot beschreef de soort in 1818 als Procellaria grallaria; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Fregetta werd in 1855 ingevoerd door Bonaparte. Fregetta is afgeleid van het Franse frégate, 'fregat(vogel)'. Bonaparte stelde de naam in 1855 in. grallaria komt van het Latijnse grallarius, 'steltloper' — naar de lange poten waarmee het vogeltje over het wateroppervlak trippelt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Australië (niet nader bepaald).