Alle soorten › Scharrelaarachtigen › Bijeneters › Witkapbijeneter

Witkapbijeneter | Merops bullockoides

White-Fronted Bee-Eater | Abejaruco Frentiblanco

De witkapbijeneter is een middelgrote bijeneter met een wit voorhoofd en een scharlakenrode keel, die in kolonies in steile zandoevers langs rivieren broedt. Zijn sociale leven is uitzonderlijk ingewikkeld: familieclans met helpers aan het nest vormen samen een kolonie van soms honderden vogels.

Witkapbijeneter (Merops bullockoides)
Foto: Bernard DUPONT from FRANCE — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een nasaal, knarsend en wat hees gau-uu of kwerr, vaak herhaald en rond de kolonie voortdurend te horen; bij verstoring een scherper kwaark. In vlucht korte, gorgelende contactroepen.

Luister: VluchtroepXC1011807

Opname: Matthew L. Brady — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 23 cm, met een rechte staart zonder verlengde middenpennen. Voorhoofd en kin zijn wit, de keel helder scharlakenrood, en een brede zwarte oogstreep loopt van de snavel tot achter het oog. Kruin en nek zijn kaneelbruin, rug, vleugels en staart grasgroen. Borst en buik zijn warm kaneelbeige, de onderstaartdekveren kobaltblauw en opvallend in vlucht. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels zijn doffer, met een lichtere, oranjerode keel en een minder zuiver wit voorhoofd.

Verwarrings­soorten

De combinatie van wit voorhoofd, rode keel en blauwe onderstaart is uniek in het gebied. De dwergbijeneter (Merops pusillus) is veel kleiner, met een gele keel en een zwarte halsband. De zwaluwstaartbijeneter (Merops hirundineus) heeft een gele keel, een blauwe halsband en een gevorkte staart. Jonge zuidelijke karmijnrode bijeneters (Merops nubicoides) zijn groter en missen het witte voorhoofd.

Leefgebied

Rivieren en grote beken met steile zand- of leemoevers, en de open savanne en het doornveld eromheen, ook bij dammen, grindgaten en oevers van pannen. Jaagt vanaf een uitkijkpost op vliegende insecten, vooral bijen, wespen en vliegende mieren, tot een paar honderd meter van de kolonie.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het noordoosten van Zuid-Afrika (Limpopo, het laagveld van Mpumalanga, het noorden van KwaZulu-Natal), Eswatini, Zimbabwe, het noorden en oosten van Botswana, Noord-Namibië, Zambia, het zuiden en midden van Mozambique en het zuiden van Angola; zeldzaam in Malawi. Verder noordwaarts tot in Gabon, het zuiden van Congo-Kinshasa, Kenia en Tanzania.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De kolonie is het beste adres: vogels zitten in rijtjes op takken boven de oever en vliegen voortdurend in en uit de broedgaten. Goede plekken zijn de Olifants- en Letaba-rivier in het Krugerpark, de Limpopo en de oevers van de Zambezi en de Chobe. De broedtijd valt van augustus tot november; buiten de broedtijd overnachten groepen in rietlanden en dichte oeverstruiken.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en plaatselijk algemeen. Kolonies zijn kwetsbaar voor het afkalven van oevers, zandwinning en betreding door vee, en verdwijnen soms na overstromingen. Omdat bijen een belangrijk deel van het voedsel vormen, zien imkers de soort niet altijd graag.

Wetenschappelijke naam

Merops bullockoides | Smith, 1834

Smith beschreef de soort in 1834 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Merops werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Merops is Grieks en betekent 'bijeneter'. bullockoides betekent 'lijkend op bullockii', de roodkeelbijeneter, die is vernoemd naar de Engelse natuuronderzoeker en museumhouder William Bullock (ca. 1773–1849). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Marico-district, Zuid-Afrika.