Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Zuidelijke witwangdwergooruil

Zuidelijke witwangdwergooruil | Ptilopsis granti

Southern White-Faced Owl | Autillo Cariblanco Sureño

De zuidelijke witwangdwergooruil is een middelgrote, grijze oehoe-achtige uil met een helderwit gezicht met een brede zwarte rand en fel oranje ogen. Bij gevaar kan hij zich opvallend smal en lang maken of juist opblazen met gespreide vleugels, afhankelijk van de grootte van de belager.

Zuidelijke witwangdwergooruil (Ptilopsis granti)
Foto: Joachim Huber — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een snelle, bubbelende reeks korte tonen die eindigt in een langere toon, bu-bu-bu-bu-hoooo, vaak door het paar afwisselend geroepen. Bij verstoring ook een snavelklappen en een sissend geluid.

Luister: ZangXC1059299

Opname: Yoann Blanchon — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

22–26 cm. Bovendelen lichtgrijs, fijn donker gestreept en gemarmerd; op de schouder een rij witte vlekken. De onderzijde is lichtgrijs met fijne donkere lengtestreepjes. Het gezicht is wit, omlijst door een brede zwarte rand; de ogen zijn oranje tot oranjerood. De oorpluimen zijn middellang, grijs met zwarte punten. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels hebben een grijzig gezicht met een minder scherpe rand en gele ogen.

Verwarrings­soorten

De Afrikaanse dwergooruil Otus senegalensis is veel kleiner, heeft een grijs gezicht en gele ogen. De Afrikaanse oehoe Bubo africanus is veel groter en bruiner, met gebandeerde onderzijde. Het witte gezicht met de zwarte rand en de oranje ogen is binnen het gebied uniek.

Leefgebied

Droge savanne en doornveld, vooral acaciabestanden en Kalahari-doornveld, ook mopane en oeverbos langs droge rivieren. Jaagt op knaagdieren, kleine vogels, reptielen en grote insecten, vaak vanaf een lage zitplaats langs een open plek. Broedt in oude takkennesten van andere vogels, in boomholten of in een boomvork.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Het droge noorden en westen van het gebied: Namibië (behalve de Namib), Botswana, de Kalahari van de Noord-Kaap, Noordwest, Limpopo, het laagveld van Mpumalanga en noordelijk KwaZulu-Natal, verder Eswatini, Zimbabwe, Mozambique, Zambia, Malawi en het zuiden en midden van Angola. Buiten het gebied noordwaarts tot Tanzania, Kenia, Oeganda en het zuiden van Congo-Kinshasa.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In de Kalahari en het doornveld van Noord-Namibië roest de vogel overdag vaak op een lage tak dicht tegen de stam van een acacia; kijk goed in dichte, schaduwrijke bomen bij kampen en drinkplaatsen. 's Nachts komt hij naar verlichting op kampterreinen om te jagen. Het bubbelende duet is vooral in het voorjaar te horen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en in droge savanne vrij algemeen. Verlies van grote bomen door houtkap en overbegrazing, verkeersslachtoffers en vergiftiging door rattengif zijn lokale bedreigingen.

Wetenschappelijke naam

Ptilopsis granti | (Kollibay, 1910)

Kollibay beschreef de soort in 1910 als Pisorhina leucotis granti; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ptilopsis werd in 1848 ingevoerd door Kaup. Ptilopsis komt van het Griekse ptilon, 'veer', en opsis, 'gezicht' — naar het opvallende, wit omrande gezichtsmasker van deze uilen. granti eert William Robert Ogilvie-Grant (1863–1924), conservator van de vogelcollectie van het British Museum, die als eerste op het afwijkende zuidelijke taxon wees (The Ibis, 1906). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Namibië.