Alle soorten › Uilen › Echte uilen › Afrikaanse velduil
Afrikaanse velduil | Asio capensis
Marsh Owl | Búho Moro
De Afrikaanse velduil is een middelgrote, egaal donkerbruine uil van open grasland en moeras, met een lichte gezichtssluier, donkere ogen en kleine oorpluimen. Hij jaagt vaak al in de schemering of op bewolkte dagen, laag en fladderend boven het gras.
Geluid
Een rauw, krassend kraaak, als het scheuren van stof, vooral in de vlucht en rond het nest. Bij verstoring bij het nest ook een schor gekwaak, en tijdens baltsvluchten klapt het mannetje met de vleugels.
Opname: Tony Archer — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
31–38 cm. Bovendelen en borst egaal donker aardbruin, buik lichter en fijn gebandeerd. De gezichtssluier is lichtbruin met donkere vlekken rond de ogen; de ogen zijn donkerbruin. De oorpluimen zijn kort en dicht bij elkaar, vaak nauwelijks zichtbaar. In de vlucht vallen de lange vleugels op, met een lichte, okergele vlek aan de basis van de handpennen, donkere polsvlekken en een gebandeerde vleugelpunt. De seksen zijn gelijk. De vlucht is traag en zwevend, met vleugels in een ondiepe V.
Verwarringssoorten
De Kaapse grasuil Tyto capensis is van boven donkerder, van onderen lichter, met een wit hartvormig gezicht, zwarte ogen en lange, bleke poten; zij jaagt vooral in het volle donker. De kerkuil Tyto alba is veel lichter, goudgeel en wit. De Afrikaanse oehoe Bubo africanus is groter, heeft gele ogen en lange oorpluimen en jaagt zelden boven open grasland.
Leefgebied
Vochtig grasland, vleien, moerasranden, rietland en overstromingsvlakten, ook vochtige delen van landbouwgebied; mijdt bos en droog terrein. Jaagt laag boven het gras op knaagdieren, grote insecten en kleine vogels. Broedt op de grond in hoog gras of tussen russen; overdag zit hij ook op de grond en wordt dan pas bij nadering opgejaagd.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Wijdverspreid maar plaatselijk: het hoogveld en de oostelijke graslanden van Zuid-Afrika, Lesotho en Eswatini, de kustvlakte van de West- en Oost-Kaap, het hoogveld van Zimbabwe, de Okavango en de Makgadikgadi in Botswana, het noorden van Namibië, en de grote overstromingsvlakten van Zambia, Malawi, Mozambique en Angola. Ontbreekt in het droge westen. Buiten het gebied verspreid over Afrika ten zuiden van de Sahara, op Madagaskar en in een klein gebied in Marokko.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Rij bij het vallen van de avond langs vochtig grasland of een vlei op het hoogveld en let op een donkere uil die als een kiekendief laag over het gras zweeft; hij gaat vaak op een paal langs de weg zitten. Op sommige plekken komen tientallen vogels samen na een muizenplaag. Wees bij wandelen in hoog gras voorzichtig voor nesten op de grond.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd en plaatselijk algemeen. Achteruitgang van aantallen door het draineren van vleien, intensieve begrazing en het branden van grasland in de broedtijd. Bestrijdingsmiddelen tegen knaagdieren en aanrijdingen langs wegen eisen ook slachtoffers.
Wetenschappelijke naam
Asio capensis | (Smith, 1834)
Smith beschreef de soort in 1834 als Otus Capensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Asio werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Asio is de Latijnse naam van een uil met oorpluimen. capensis betekent 'van de Kaap', naar de Kaapkolonie in Zuid-Afrika, waar de soort werd beschreven. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zuid-Afrika.

