Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Zwarte stern

Zwarte stern | Chlidonias niger

Black Tern | Fumarel Común

De zwarte stern is in Europa een moerasstern van zoet water, maar in het gebied gedraagt hij zich als een zeevogel: de overwinteraars vissen in de koude, voedselrijke wateren van de Benguelastroom voor de kust van Namibië en de westkust van Zuid-Afrika. Rond Walvisbaai kunnen duizenden vogels samenkomen.

Zwarte stern (Chlidonias niger)
Foto: DickDaniels (http://theworldbirds.org/) — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een kort, hoog en scherp kjik of kiek, en een zwak kè-kè. In het overwinteringsgebied meestal stil, behalve in groepen op rustplaatsen.

Luister: Nachtelijke vluchtroepXC1162397

Opname: Ricardo Hevia — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 23 cm, compact, met een korte, fijne zwarte snavel en een korte, licht gevorkte staart. In winterkleed, zoals hier bijna altijd gezien, is het voorhoofd wit en de kruin en achterkop zwartachtig, als een kap die tot onder het oog doorloopt, en heeft de vogel een kenmerkende donkere vlek op de borstzijde, voor de vleugelaanzet. De bovendelen, stuit en staart zijn vrij donker, egaal grijs, de onderdelen wit. De ondervleugel is lichtgrijs. In broedkleed, hier alleen zelden en onvolledig in maart en april, zijn kop en lichaam roetzwart met witte onderstaartdekveren en is de rest van de vogel donker leigrijs. Jonge vogels hebben een bruinig geschubde mantel en een donkere voorvleugelband.

Verwarrings­soorten

De witvleugelstern Chlidonias leucopterus in winterkleed heeft een witte stuit, een lichtere rug, geen borstvlek en een losse donkere oorvlek in plaats van een kap. De witwangstern Chlidonias hybrida is groter en bleker, met een langere snavel en eveneens zonder borstvlek. Kleine sterns van het geslacht Sternula, zoals de Damarastern Sternula balaenarum, zijn bleker, met langere snavels, en duiken in het water in plaats van het oppervlak af te pikken.

Leefgebied

Vooral op zee, van de kustwateren tot tientallen kilometers uit de kust boven koud, voedselrijk opwellend water. Rust in groepen op stranden, zandbanken en in kustlagunes en zoutwinningen. Jaagt met een dansende, wendbare vlucht en pikt kleine vis en kreeftachtigen van het wateroppervlak, zonder diep te duiken. Landinwaarts zeldzaam, soms na stormen op stuwmeren.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Het talrijkst langs de kust van Namibië, vooral rond Walvisbaai en Swakopmund, en langs de westkust van Zuid-Afrika tot voorbij Kaap de Goede Hoop; ook voor de kust van Angola. Schaars aan de zuidkust en zeldzaam aan de oostkust, in Mozambique pas recent vastgesteld. Binnenlands een dwaalgast. Broedt in Europa, West-Azië en Noord-Amerika; de oostelijke vogels overwinteren vooral voor de kust van West-Afrika, de Amerikaanse voor het noordwesten van Zuid-Amerika.

  • Jaarrond
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het best in de lagune en de zoutwinning van Walvisbaai en bij Swakopmund tussen november en maart, waar zwarte sterns in groepen tussen andere sterns rusten. Vanaf de kust of tijdens een pelagische tocht voor Kaapstad zijn ze ook boven open zee te zien, vaak laag over de golven dansend. Let op de donkere borstvlek als eerste kenmerk.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, maar in delen van Europa en Noord-Amerika is de soort als broedvogel sterk afgenomen door het verlies van moerassen. In het overwinteringsgebied is ze afhankelijk van de productiviteit van de Benguelastroom.

Wetenschappelijke naam

Chlidonias niger | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Sterna nigra; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Chlidonias werd in 1822 ingevoerd door Rafinesque. Chlidonias komt van het Griekse khelidonios 'zwaluwachtig', van khelidon 'zwaluw'. niger is Latijn voor 'glanzend zwart'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit bij Uppsala in Zweden.