Alle soorten › Pelikaanachtigen › Reigers › Zwartkopreiger

Zwartkopreiger | Ardea melanocephala

Black-Headed Heron | Garza Cabecinegra

De zwartkopreiger is een grote grijze reiger die zich, anders dan de meeste verwanten, grotendeels los van het water heeft gemaakt. Hij stapt statig door grasland, akkers en droge savanne op jacht naar knaagdieren, sprinkhanen en hagedissen, en is in veel delen van het gebied de reiger die men het vaakst ziet.

Zwartkopreiger (Ardea melanocephala)
Foto: Discott — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luid, nasaal kuark, vaak bij het opvliegen; in de kolonie allerlei kakelende, krassende en klepperende geluiden.

Luister: VluchtroepXC1082068

Opname: Jonathan Onongo — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 92 cm. Kruin, achterhals en de zijkant van de kop zijn zwart, keel en kin wit, zodat de kop een scherp zwart-wit contrast toont. Het lichaam is leigrijs, de voorhals gestreept. De snavel is boven donker en onder geelachtig, de poten zijn zwartachtig. Jonge vogels hebben een grijze in plaats van zwarte kop en hals. In de vlucht is het contrast tussen de witte ondervleugeldekveren en de zwarte slagpennen zeer opvallend.

Verwarrings­soorten

De blauwe reiger Ardea cinerea heeft een witte kop met alleen een zwarte streep boven het oog, een witte hals, een gele snavel en lichtere poten; zijn ondervleugel is egaal grijs zonder wit-zwart contrast. Jonge zwartkopreigers met grijze kop zijn van jonge blauwe reigers te onderscheiden aan de donkere poten en de tweekleurige ondervleugel. De Goliathreiger Ardea goliath is veel groter en roestbruin.

Leefgebied

Open grasland, weiden, akkers, vleien, savanne en zelfs sportvelden en bermen, vaak ver van water; foerageert ook langs dammen en in moerassen. Eet ratten en muizen, sprinkhanen, kikkers, hagedissen en soms kleine vogels. Broedt in kolonies in hoge bomen, vaak in dorpen of bij water, of in rietvelden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Over vrijwel het hele gebied verbreid en algemeen, van Angola en Zambia tot de Kaap, inclusief Lesotho en Eswatini; schaarser in de Namib, de Kalahari en de droogste delen van de Karoo. Verder over vrijwel heel Afrika ten zuiden van de Sahara.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek langs wegen door grasland en boerenland: de vogel staat vaak roerloos in een weiland of loopt met afgemeten passen door kort gras. Broedkolonies in bomen midden in dorpen of op boerenerven zijn goed te bekijken.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Heeft geprofiteerd van de omzetting van savanne in weide en akker en de aanleg van dammen, en is in de afgelopen eeuw in zuidelijk Afrika in aantal en verspreiding toegenomen.

Wetenschappelijke naam

Ardea melanocephala | Children & Vigors, 1826

Children & Vigors beschreef de soort in 1826 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Ardea werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Ardea is het Latijnse woord voor 'reiger'. melanocephala komt van het Griekse melas, 'zwart', en kephalē, 'kop' — naar de zwarte kop en achterhals. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit onbekend; mogelijk bij het Tsjaadmeer.