Alle soorten › Knaagdieren › Berkenmuizen › Berkenmuis
Berkenmuis | Sicista betulina
Northern Birch Mouse | Ratón Listado Nórdico
De berkenmuis is geen echte muis, maar de enige Noord-Europese vertegenwoordiger van een eigen familie die het nauwst verwant is aan de springmuizen. Hij weegt vijf tot vijftien gram, klimt met een halfgrijpstaart door de kruidlaag en heeft één zwarte streep over de rug. Zes tot acht maanden per jaar brengt hij in winterslaap onder de grond door.
Sporen
De berkenmuis laat vrijwel geen herkenbare sporen achter. Hij is te licht om prenten in modder of zand achter te laten, graaft geen zichtbare gangen, bouwt geen opvallend nest, knaagt geen noten aan en maakt geen geluid dat op soort te brengen is. De aanwezigheid wordt daarom op andere manieren vastgesteld. De gangbare methode is levend vangen met kleine inloopvallen in de kruidlaag van een bosrand of veenrand, in de korte actieve periode van mei tot september. Daarnaast leveren braakballen van kerkuil, bosuil en ransuil bruikbaar bewijs: de zeer lange staartwervels en de bouw van het gebit zijn in braakballen goed herkenbaar. Recenter worden ook haarbuizen en buizen met een camera gebruikt, waarin een kleine camera het dier fotografeert wanneer het door een pvc-buis loopt. Zo zijn de meest recente Duitse vindplaatsen vastgesteld: vijf dieren op de Fellhorn bij Oberstdorf in 2021 en zeven in het achterste deel van het Beierse Woud in 2020. Het enige veldbeeld is het dier zelf, klimmend in de kruidlaag met de staart om een stengel geslagen.
Herkenning
Een zeer klein, rank knaagdier met een staart van ongeveer anderhalf keer de kop-romplengte (7,6 tot 10,8 centimeter tegen 5,0 tot 7,5), die dun, spaarzaam behaard en halfgrijpend is: bij het klimmen wordt hij om een stengel geslagen. De vacht is geelbruin tot roodbruin, de buik grijsachtig, en van het achterhoofd tot de staartbasis loopt één scherpe zwarte streep van twee tot drie millimeter breed. Die streep is het belangrijkste kenmerk. De kop is spits, met grote donkere ogen en kleine, ronde, uit de vacht stekende oren; de bovenlip is niet gespleten, anders dan bij echte muizen. De achtervoet is 14 tot 18 millimeter lang en vijftenig; de soort springt niet zoals haar verwanten in woestijnen, maar loopt en klimt. Het gewicht ligt tussen vijf en vijftien gram, met de hoogste waarden vlak voor de winterslaap.
Gelijkende soorten
De rugstreep onderscheidt de soort van alle gelijkende soorten. Een dwergmuis is even klein en heeft ook een grijpstaart, maar mist de streep, is roodgeel met een scherpe witte buikgrens en heeft een dikkere, kalere staart. Bosmuis en huismuis zijn zwaarder, hebben grote oren en geen streep. Spitsmuizen hebben een spitse snuit en een fluweelachtige vacht; bij de roodtandspitsmuizen zijn de tandpunten bruin. De moeilijkheid ligt binnen het geslacht. In het steppe- en bossteppegebied van Oost-Europa leven drie soorten van de Sicista subtilis-groep (S. loriger, S. severtzovi en S. subtilis), en daarnaast de Hongaarse S. trizona, die onderling in het veld niet te onderscheiden zijn. Van de berkenmuis zijn ze wel te onderscheiden: de berkenmuis heeft één donkere rugstreep en verder een egale flank, terwijl de soorten van de subtilis-groep naast de rugstreep twee extra donkere zijstrepen hebben, met lichte banen ertussen. Ook het leefgebied verschilt: de berkenmuis leeft in vochtig bos, veen en bergweide, de andere soorten op droge steppe. Waar beide voorkomen, in de Oekraïense bossteppe, is het strepenpatroon het eerste kenmerk om te controleren.
Leefgebied
Vochtig, kruidenrijk en halfopen terrein. Loof-, naald- en gemengd bos met open plekken, windworp en verjonging; vooral bosranden, kapvlakten en oevers met een dichte laag kruiden en dwergstruiken. Verder overgangsveen en veenranden, natte hooilanden en zeggenvegetaties, bramen- en bosbesstruweel, en in de bergen de subalpiene struweelzone en bergweiden tot ruim tweeduizend meter. De soort is overal afhankelijk van een dichte, rechtopstaande kruidlaag om in te klimmen en dekking te vinden; kort gemaaide of begraasde vegetatie is ongeschikt. In het Beierse Woud komt de soort vooral voor in venen en vernatte weiden.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Een groot maar sterk versnipperd areaal van Noord- en Oost-Europa tot in Siberië: van Noorwegen, Zweden, Denemarken en de Baltische staten oostwaarts tot het Baikalmeer, en van de poolcirkel zuidwaarts tot de Karpaten. In Midden-Europa heeft de verspreiding het karakter van een ijstijdrelict: kleine, geïsoleerde populaties in Denemarken, Noord-Duitsland, het Beierse Woud, de Alpen van Beieren, Oostenrijk en Zwitserland, het Boheemse Woud, de Poolse en Slowaakse bergen en de Karpaten, met daartussen honderden kilometers zonder waarnemingen. In de Lage Landen komt de soort niet voor, en er zijn geen aanwijzingen dat zij er ooit voorkwam; de dichtstbijzijnde vindplaatsen liggen in Midden- en Oost-Duitsland en in Denemarken. In het noorden en oosten van het areaal is de soort algemeen, in het westen en zuiden zeldzaam en plaatselijk.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Nacht- en schemeractief en een goede klimmer: hij loopt over stengels en dunne takken en slaat de staart om stengels voor extra houvast; hij is de enige Europese soort van de familie die dat doet. Het voedsel is gemengd: insecten en andere ongewervelden, regenwormen en slakken, en daarnaast knoppen, scheuten, graszaad en bessen, met in de nazomer een sterke verschuiving naar vet- en suikerrijk voedsel. Van begin oktober tot half april houdt hij een echte winterslaap van zes tot acht maanden, opgerold in een holte in de grond, onder een boomwortel of onder mos, met de staart spiraalvormig om het lichaam; daarbij verliest hij ongeveer de helft van zijn lichaamsgewicht. In Europa slapen alleen de alpenmarmot en de relmuis langer. De actieve periode duurt daardoor slechts vier tot zes maanden. Dat beperkt de voortplanting: de dieren worden pas na de eerste winterslaap geslachtsrijp en hebben één worp per jaar van twee tot zeven jongen, na een draagtijd van drie tot vier weken. Mislukt die worp, dan is er dat jaar geen voortplanting. De soort is daardoor veel gevoeliger voor een slecht jaar dan woelmuizen, die drie of vier worpen per jaar hebben.
Waar en wanneer kijken
Er is in Europa geen plek waar de berkenmuis eenvoudig te zien is. De beste kans ligt in het noorden en oosten: de bosvenen en kapvlakten van Finland, Zweden en de Baltische staten, of Białowieża, waar de soort algemener is en veldonderzoek plaatsvindt. In Midden-Europa is deelnemen aan onderzoek de meest effectieve methode: de Beierse en Oostenrijkse natuurbeheerders voeren sinds enkele jaren gericht kleinzoogdieronderzoek uit in venen en op berghellingen. Wie zelf wil zoeken, gaat in juni of juli na zonsondergang met een lamp langs een vochtige, hoog begroeide bosrand of veenrand en let op beweging in de kruidlaag, op ongeveer een halve meter hoogte, niet op de grond; het klimgedrag is het belangrijkste kenmerk in het veld. Onderzoek ook braakballen: voor deze soort levert de zolder van een kerk vaak meer waarnemingen op dan het bos.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2016) op wereldschaal, omdat de soort in de Russische en Fennoscandische taiga wijdverbreid is. Voor Midden-Europa geeft die beoordeling de situatie niet weer. De soort staat op bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn en op bijlage II van de Conventie van Bern; het dier en zijn leefgebied zijn daardoor in de hele Unie strikt beschermd. In Duitsland staat de soort op de rode lijst als met uitsterven bedreigd en in Oostenrijk als bedreigd; in beide landen gaat het om enkele geïsoleerde populaties met weinig dieren per vindplaats. Oorzaken zijn ontwatering van venen en natte bossen, het opruimen van kapvlakten en windworp, maaien en begrazen van de kruidlaag, en versnippering van de laatste vochtige terreinen. Door de ene worp per jaar herstelt de soort bovendien langzaam. Een belangrijk probleem is dat de soort slecht wordt waargenomen: op veel plaatsen is onbekend of zij nog aanwezig is, zodat achteruitgang onopgemerkt kan blijven.
Wetenschappelijke naam
Sicista betulina | (Pallas, 1779)
Pallas beschreef de soort in 1779 als Mus betulinus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Sicista is geen Latijn en geen Grieks. Gray nam het woord in 1827 over zonder bronvermelding; men zoekt het bij een volksnaam voor de muis uit het Russisch-Tataarse taalgebied, maar welke dat is staat niet vast. betulina is Latijn voor 'van de berk', bij betula 'berk', naar het berkenbos waarin Pallas het dier aantrof. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Rusland, Siberië.






