Alle soorten › Knaagdieren › Berkenmuizen › Sicista loriger

Sicista loriger | Sicista loriger

Nordmann's Birch Mouse | Sicista loriger

Sicista loriger is een berkenmuis van ongeveer tien gram uit de steppen van Zuid-Oekraïne, Oost-Roemenië en het aangrenzende Zuidwest-Rusland, met donkere lengtestrepen over de rug; een Nederlandse naam heeft de soort niet. Tot 2016 gold hij als ondersoort van de steppeberkenmuis; op grond van genetisch en anatomisch onderzoek wordt hij sindsdien als aparte soort behandeld. De IUCN beoordeelt hem als ernstig bedreigd.

Sicista loriger (Sicista loriger)
Foto: ukrbin_team (UkrBIN, Ukrainian Biodiversity Information Network) — CC0 · Wikimedia Commons

Sporen

Zoals bij alle berkenmuizen zijn er geen bruikbare sporen. Een dier van tien gram laat geen prenten achter, graaft geen zichtbare gangen en laat geen vraatsporen na die op naam te brengen zijn. Vaststelling gebeurt op drie manieren. Levendvangst met kleine inloopvallen in ongestoorde veder- en zwenkgrassteppe is de standaardmethode, met weinig resultaat: in Oekraïense vangreeksen maakt de soort 0,1 tot 0,2 procent van de gevangen kleine zoogdieren uit, zodat per dier honderden vangnachten nodig zijn. Braakballen van kerkuil en velduil zijn de tweede, vaak productievere methode: de zeer lange staartwervels zijn in een braakbal herkenbaar, maar leiden alleen tot het geslacht. De derde methode is genetisch en de enige die tot de soort leidt: weefsel of keutels, en een DNA-sequentie. Een gestreept muisje dat in de Oekraïense steppe wegschiet, is in het veld alleen te determineren als berkenmuis van de subtilis-groep.

Herkenning

Een zeer klein knaagdier van vijf en een halve tot zeven centimeter kop-romp, met een dunne, spaarzaam behaarde staart van zeven tot acht centimeter, ongeveer een kwart langer dan het lichaam, en een achtervoet van 13 tot 15,5 millimeter. De vacht is grijsbruin tot okergrijs, de buik lichter. Het kenmerk is het strepenpatroon: over het midden van de rug loopt een donkere ruggenstreep, en daarnaast liggen donkere zijstrepen, gescheiden door lichtere banen; het patroon telt drie tot vijf strepen, tegen één streep bij de berkenmuis. De kop is spits, met grote donkere ogen en kleine ronde oren. De soort springt niet, maar loopt en klimt door de kruidlaag, met de staart als steun.

Gelijkende soorten

Sicista loriger, S. severtzovi en S. subtilis zijn in het veld niet van elkaar te onderscheiden, ook niet in de hand of op een goede foto. Ze hebben hetzelfde formaat, dezelfde kleur en hetzelfde strepenpatroon; de verschillen liggen in overlappende maten. De scheiding berust op vier punten. Ten eerste het chromosoomgetal: het geslacht Sicista is chromosomaal zeer variabel, en die variatie heeft de systematiek van de groep lang onduidelijk gehouden; verschillende chromosoomrassen binnen de vroegere S. subtilis bleken zelfstandige soorten. Ten tweede het mitochondriale DNA (het cytochroom-b-gen) en een kerngen, waarop de opsplitsing van 2016 is gebaseerd. Ten derde de vorm van het baculum en van de stekeltjes op de penis, die tussen de soorten meetbaar verschillen; daarvoor zijn museummateriaal en een microscoop nodig. Ten vierde, als enige bruikbaar in het veld, het areaal: S. loriger leeft in de steppen van Zuid-Oekraïne, Oost-Roemenië en het aangrenzende Zuidwest-Rusland; S. severtzovi in de bossteppe van Oost-Oekraïne en het Russische zwarteaardegebied; S. subtilis in strikte zin verder naar het oosten, van de Wolga tot Kazachstan; en S. trizona geïsoleerd in Hongarije en Transsylvanië. Van de berkenmuis is de soort wel te onderscheiden, aan de enkele ruggenstreep zonder zijstrepen van die soort en aan het leefgebied: bos en veen tegenover open steppe.

Leefgebied

Ongestoorde steppe, die nog maar op weinig plaatsen voorkomt: kruidenrijke veder- en zwenkgrassteppe, alsemsteppe, weidesteppe, hellingen van ravijnen en balka's, laagtes rond steppemeertjes, en psammofiele steppe op zandige bodem. De soort heeft een dichte, rechtopstaande kruidlaag nodig om in te klimmen; kort begraasde of afgebrande steppe is ongeschikt, en geploegde grond volledig. Bij de laatste steppesnippers komt ze ook voor langs akkerranden en op braakland, maar altijd grenzend aan een stuk steppe.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

De westelijke helft van de Pontisch-Kaspische steppe, en daarbinnen slechts enkele verspreide populaties. In Oekraïne loopt het areaal van de Zuidelijke Boeg oostwaarts tot de Donets, in de steppe- en bossteppezone, inclusief de Krim. Verder is de soort bekend uit Oost-Roemenië en uit het westen van de Russische oblast Belgorod; mogelijk komt ze ook in Bulgarije en Moldavië voor. Het hele wereldareaal ligt daarmee binnen het gidsgebied. De vindplaatsen liggen ver uit elkaar en zijn door akkerland van elkaar gescheiden; GBIF bevat binnen het gidsgebied minder dan zestig waarnemingen.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Schemer- en nachtactief en solitair. De soort klimt door de kruidlaag en gebruikt de lange staart als steun. Voor een knaagdier bestaat het voedsel voor een groot deel uit dierlijk materiaal: veertig tot zeventig procent bestaat uit insecten en andere ongewervelden, aangevuld met zaden en vruchtjes van kruiden. De dieren graven een eigen zomerhol en houden een lange winterslaap. Ze worden pas in hun tweede kalenderjaar geslachtsrijp, krijgen één tot twee worpen per jaar van drie tot vijf jongen, en worden één tot twee jaar oud. Door deze trage levenscyclus herstelt een populatie zich na een slecht jaar of een brand nauwelijks.

Waar en wanneer kijken

De soort is in het veld vrijwel alleen te zien bij kleinzoogdieronderzoek. De kans ligt in de laatste ongeploegde steppe van Zuid-Oekraïne en Oost-Roemenië, zoals Askania-Nova, de Krimse steppereservaten en de Dobroedzja, en dan uitsluitend bij onderzoek met vergunning; vangen is anders verboden, en zonder vangst is de soort niet waar te nemen. Zelfstandig kun je in mei of juni door hoog opgeschoten vedergras lopen en op beweging in de halmen letten; wat wegritselt, is meestal een woelmuis, maar niet altijd. Braakballen van velduil en kerkuil zijn de goedkoopste manier om vast te stellen dat de soort nog aanwezig is. Een groot deel van het Oekraïense areaal is op dit moment oorlogsgebied.

Staat van instandhouding

Ernstig bedreigd (CR, 2024). De soort is volledig afhankelijk van ongestoorde steppe, en van de Pontische steppe resten nog maar enkele procenten, verdeeld over kleine, van elkaar geïsoleerde snippers. De Oekraïense rode lijst noemt als bedreigingen het omploegen van steppevegetatie, overbegrazing, het afbranden van hooiland in voorjaar en zomer, dat dodelijk is voor een dier dat in de kruidlaag leeft, en de versnippering van de laatste populaties. In Oekraïne staat de soort sinds 1994 op de rode lijst. Sinds 2022 komt daar de oorlog bij: het grootste deel van het areaal ligt in of vlak achter de frontzone, met branden, gepantserd verkeer en mijnen, en veldonderzoek ligt stil. Van de meeste vindplaatsen is op dit moment niet bekend of er nog dieren voorkomen.

Wetenschappelijke naam

Sicista loriger | (von Nathusius in von Nordmann, 1839) (GBIF: Sicista subtilis)

Von Nathusius in von Nordmann beschreef de soort in 1839 als Sminthus loriger; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Sicista is geen Latijn en geen Grieks. Gray nam het woord in 1827 over zonder bronvermelding; men zoekt het bij een volksnaam voor de muis uit het Russisch-Tataarse taalgebied, maar welke dat is staat niet vast. loriger is Latijn voor 'riemdragend', van lorum 'riem, band' en gerere 'dragen', naar de donkere streep over de rug. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Oekraïne, Odessa.