Alle soorten › Haasachtigen › Hazen en konijnen › Corsicaanse haas

Corsicaanse haas | Lepus corsicanus

Corsican hare | Liebre de Córcega

De Corsicaanse haas is in 1898 beschreven naar een dier uit Bastia op Corsica, maar het eigenlijke verspreidingsgebied is Midden- en Zuid-Italië en Sicilië; op Corsica is de soort door de mens ingevoerd en zeldzaam. Een eeuw lang werd hij beschouwd als ondersoort van de haas of van de Kaapse haas. Pas toen bleek dat hij zich niet kruist met de haas waar beide naast elkaar leven, kreeg hij opnieuw de status van soort. In de tussentijd was in Italië op grote schaal haas uitgezet.

Corsicaanse haas (Lepus corsicanus)
Foto: Thomas Galewski — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

De soort graaft geen holen; alle sporen liggen aan de oppervlakte, en in dit droge landschap zijn keutels en vraatsporen de belangrijkste. Het leger is een ondiepe, langwerpige kuil van ongeveer 30 bij 15 cm onder een mastiek- of cistusstruik, aan de voet van een bremstruik of in de rand van een graanakker, met de opening uit de wind. De keutels zijn afgeplatte bolletjes van 15 tot 20 mm, hard, okerkleurig en zichtbaar grofvezelig; ze liggen los verspreid op open plekken en langs wissels door de maquis, nooit op hoopjes. Het konijn gebruikt daarentegen vaste latrines op een steen of molshoop. De prent is lang en smal, met vier tenen, en heeft door de behaarde zool een onscherpe rand; in de sprong staan de twee lange achtervoeten vóór de kleinere voorvoeten, die meestal achter elkaar in één lijn staan. In het stof van een veldweg of in de as van een afgebrand terrein is dat groepje van vier het best herkenbaar. Vraatsporen zijn gladde, schuine snedes van ongeveer 45 graden aan jonge scheuten van brem, cistus en wijnstok; in de winter schilt hij bast van jonge olijf- en amandelbomen en fruitopslag tot ongeveer zestig centimeter hoogte. Op de hoge hellingen van de Etna en in de Abruzzen kan verse sneeuw het volledige sprongspoor laten zien.

In zijn leefgebied

Corsicaanse haas, in verdroogd grasland in het natuurreservaat monterano, lazio — het vasteland van midden-italië, de kern van het verspreidingsgebied
In verdroogd grasland in het natuurreservaat Monterano, Lazio — het vasteland van Midden-Italië, de kern van het verspreidingsgebied · Foto: Marcosca — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

De kop van dichtbij

Corsicaanse haas, kop en schouder van hetzelfde dier: de lange, breed zwart getopte oren en de roodbruine nek
Kop en schouder van hetzelfde dier: de lange, breed zwart getopte oren en de roodbruine nek · Foto: Thomas Galewski — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een slanke haas met lange poten en lange oren: kop-romp 44 tot 61 cm, staart 6,6 tot 11,2 cm, 1,8 tot 3,8 kg; gemiddeld iets kleiner en fijner gebouwd dan de haas. De vacht is levendig gekleurd en sterker gecontrasteerd dan bij de haas: de rug is donker en grof gespikkeld, nek en schouders zijn opvallend roodbruin tot roestkleurig, de flanken okergeel en de buik wit, met een scherpe grens ertussen. Een kenmerk dat specialisten gebruiken, is dat de haarbases grijs zijn in plaats van wit, waardoor de vacht bij uiteenstrijken grauw is in plaats van licht; dit is alleen te zien bij een dier in de hand of een verkeersslachtoffer. De oren zijn in verhouding tot de kop langer dan bij de haas en hebben een brede zwarte punt; ook de achterpoten zijn naar verhouding langer. De staart is zwart van boven en wit van onder.

Gelijkende soorten

De belangrijkste verwarringssoort is de haas (Lepus europaeus), waarvan de verspreiding in Italië sterk door uitzettingen is beïnvloed. De haas is in Noord-Italië inheems en is daarnaast honderd jaar lang overal in het land voor de jacht uitgezet, ook midden in het gebied van de Corsicaanse haas en op Sicilië; op veel plekken komen beide soorten nu samen voor. Bruikbare kenmerken: de Corsicaanse haas is over het geheel kleiner, heeft in verhouding langere oren en achterpoten, een levendiger roodbruine nek en een scherper begrensde witte buik. Bij een dier op vijftig meter in de maquis, in de schemering, zijn deze kenmerken echter niet betrouwbaar, en is noteren als Lepus sp. de juiste keuze. De vindplaats is ook hier het belangrijkste gegeven: ten zuiden van de lijn Toscane–Gargano en op Sicilië is de kans op deze soort het grootst, in de Povlakte en de Alpen is elke haas een haas (L. europaeus), en daartussen ligt een brede zone waar beide voorkomen. Op Corsica leven beide soorten naast elkaar en geeft de vindplaats geen uitsluitsel. Het konijn is op Sicilië en in Zuid-Italië algemeen en is op afstand de meest voorkomende verwarring: kleiner, grijzer, korte oren zonder zwarte punt, de staart omhoog tijdens de vlucht en een hol als vluchtplaats.

Leefgebied

Het mediterrane mozaïek: maquis en garrigue, cistus- en bremvelden, open steeneiken- en kurkeikenbos met grazige ondergroei, graanakkers, hooiland en de randen daartussen, boomgaarden en wijngaarden, en duinen en kustvlaktes. In tegenstelling tot de haas is hij niet gebonden aan laag cultuurland: hij komt op de Etna voor tot 2400 meter en in de Abruzzen tot in de alpiene graslanden boven de boomgrens, en in de bergen handhaaft hij zich beter dan in de vlakte, waar haas is uitgezet. Open terrein na brand is ook geschikt leefgebied.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Midden- en Zuid-Italië en Sicilië, met een noordgrens die ruwweg van Toscane naar de Gargano loopt, en van daar zuidwaarts tot in Calabrië en over heel Sicilië, van zeeniveau tot 2400 meter op de Etna. Op Corsica is hij eeuwen geleden door de mens ingevoerd en nu zeldzaam; toch komt het grootste deel van de openbare waarnemingen van dat eiland: GBIF bevat 127 Franse tegenover 35 Italiaanse waarnemingen, wat meer zegt over waar waarnemers foto's delen dan over waar de soort talrijk is. De Mammal Diversity Database noemt alleen Italië. Op Sardinië ontbreekt de soort; daar leeft de hazenvorm Lepus mediterraneus.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Nachtactief, met een piek in het eerste uur na zonsondergang en opnieuw bij het ochtendgloren; overdag ligt hij in het leger onder een struik. Hij eet gras, kruiden, graan, jonge scheuten van maquisstruiken en in de winter bast en twijgen, en eet zoals alle hazen de zachte blindedarmkeutels opnieuw op. In het warme zuiden loopt de voortplanting bijna het hele jaar door, vooral van januari tot augustus: twee tot vier worpen van gemiddeld twee jongen. De jongen worden behaard en met open ogen geboren, liggen elk apart verborgen en worden één keer per etmaal kort gezoogd. Er is geen winterrust; in de hoge Apennijnen blijft hij ook bij sneeuw actief en trekt dan naar de zonzijden.

Waar en wanneer kijken

De beste tijd is het laatste uur voor het donker en het eerste uur daarna, op een open helling in de maquis of langs een graanakker in de bergen. De beste kansen liggen in de nationale parken van Midden- en Zuid-Italië (Abruzzo, Majella, Gargano, Pollino, Cilento) en op Sicilië op de hoge hellingen van de Etna en in de Madonie en de Nebrodi. Rijd na zonsondergang langzaam over een onverharde bergweg en zoek naar oogreflecties langs de bermen. In maart en april zijn op open plekken achtervolgingen te zien. Noteer bij elke waarneming de hoogte en de plek: in de vlakte kan een haas ook een uitgezette haas (L. europaeus) zijn.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar (VU, 2025). Het areaal is klein, versnipperd en op veel plekken dun bezet; de belangrijkste oorzaak is niet het landschap, maar de jacht en het jachtbeheer. Generaties lang is haas uitgezet in het gebied van deze soort, vaak dieren van Oost-Europese herkomst; dat leidt tot concurrentie om voedsel en ruimte, tot insleep van ziekten, en tot grootschalig afschot van de Corsicaanse haas zelf, omdat jagers de twee soorten niet onderscheiden. Daarnaast spelen het dichtgroeien van traditionele akker- en weidemozaïeken na landverlating, te grote branden en in de vlakte schaalvergroting in de landbouw. Op Corsica is de populatie zo klein dat de soort er lange tijd als verdwenen gold. Waar de jacht is stopgezet en het onderscheid met de haas in het beheer wordt meegenomen, zoals in verscheidene nationale parken op het vasteland en op Sicilië, herstelt de soort zich; dat zijn daarmee de belangrijkste beschermingsmaatregelen.

Wetenschappelijke naam

Lepus corsicanus | de Winton, 1898

De Winton beschreef de soort in 1898 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Lepus is het Latijnse woord voor 'haas'. corsicanus betekent 'Corsicaans'; de Winton beschreef het dier van Corsica, waar het waarschijnlijk uit Italië is ingevoerd. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Frankrijk, Corsica.