Alle soorten › Haasachtigen › Hazen en konijnen › Cantabrische haas
Cantabrische haas | Lepus castroviejoi
Broom Hare | Liebre De Piornal
De Cantabrische haas is pas in 1977 als soort beschreven en leeft in een strook van 230 bij 30 kilometer, boven duizend meter, in de brem- en heidevelden van het Cantabrisch Gebergte; nergens anders komt hij voor. Het areaal is scherp begrensd, maar in het veld is de soort moeilijk te determineren: de hoogte en de vindplaats zijn de belangrijkste determinatiegegevens.
Sporen
De soort graaft geen holen; de sporen liggen aan de oppervlakte. Het leger is een uitgesleten kuil onder een brem- of heidestruik, vaak in de luwte van een pol en met zicht op de helling eronder; in dit landschap zijn legers moeilijker te vinden dan op akkerland, omdat het struweel dicht en hoog is. De keutels zijn afgeplatte bolletjes van ongeveer 15 tot 20 mm, hard, grofvezelig en okerkleurig, los verspreid en niet op hoopjes; in de heide liggen ze vaak op open plekken en langs wildwissels tussen de struiken. De prent is die van een haas: lang, smal en met een onscherpe rand door de behaarde zool, in de sprong met de twee lange achtervoeten vóór de kleine voorvoeten. Prenten zijn het best zichtbaar in natte veengrond en op de smalle veepaden van de zomerweiden, en in de winter in verse sneeuw op de hoge kammen. Verder zijn er vraatsporen: schuine, gladde snedes van ongeveer 45 graden aan jonge bremtakken en heidescheuten, en in de winter geschilde bast van jonge berken en wilgen langs beken. De soort foerageert bij voorkeur op pas afgebrande of gemaaide plekken in de heide, waar jonge scheuten opkomen.
In zijn leefgebied

De kop van dichtbij

Herkenning
Een middelgrote haas van 49 tot 52 cm kop-romp en 2,6 tot 3,2 kg; in formaat tussen de haas en de Iberische haas in. Hij is donkerder en grauwer dan beide: de rug is donker bruinzwart gespikkeld, met een witte haarbasis die door de vacht zichtbaar is, de flanken zijn okerbruin en de buik is wit. De oren zijn kort voor een haas en hebben een duidelijke zwarte punt; ook de staart is kort, zwart van boven en wit van onder. De kop is betrekkelijk klein, met een witte veeg van de snuit tot de oogrand. In de wintervacht is hij grijzer en voller. Hij wordt nooit wit; geen enkele Spaanse haas verkleurt wit, en de sneeuwhaas komt in Spanje niet voor.
Gelijkende soorten
De haas (Lepus europaeus) komt voor tot in Midden-Asturië en langs de zuidrand van het gebergte, de Iberische haas tot tegen de zuidflank en in Galicië, en in de contactzones komen alle drie soorten samen voor zonder uiterlijke kenmerken die zekerheid geven. De Cantabrische haas is de donkerste van de drie en heeft de kortste oren en de kortste staart, maar die verschillen zijn geleidelijk en in het veld, in de schemering tussen de brem, niet betrouwbaar. Beslissend zijn hoogte en vegetatie: boven duizend meter, in piornal en brezal (brem, gaspeldoorn, struikhei, dopheide en bosbes), op de Cantabrische kam tussen de Sierra de los Ancares en de Sierra de Peña Labra, is een haas met grote waarschijnlijkheid deze soort. Als de dieren in strenge winters naar de dalen afzakken, vervalt ook dit criterium. Het konijn speelt hier nauwelijks een rol, omdat het in lagere, warmere gebieden leeft.
Leefgebied
De hoge Cantabrische heide- en bremvelden tussen ongeveer duizend en negentienhonderd meter: piornales van Genista en Cytisus, brezales van struikhei, dopheide en bosbes, met daartussen alpiene en subalpiene graslanden, venige laagten en kapvlakten en open plekken in eiken- en beukenbos. De soort heeft een combinatie nodig van dicht struweel als rustplaats en open, kort begraasd of pas afgebrand grasland als foerageergebied; een uniform, oud en hoog bremveld en een kaal weiland zijn beide ongeschikt. In strenge winters daalt hij af tot ongeveer duizend meter, onder de sneeuwgrens.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Alleen het Cantabrisch Gebergte in Noord-Spanje, in een band van ongeveer 230 kilometer lang en 25 tot 40 kilometer breed, van de Sierra de los Ancares op de grens van Lugo en León tot de Sierra de Peña Labra en de Sierra de Híjar op de grens van Cantabrië en Palencia. Het areaal omvat delen van Galicië, Asturië, León, Cantabrië en Palencia. Het is bovendien versnipperd: de populatie bestaat uit kernen die door dalen en bos van elkaar gescheiden zijn, en aan de oostkant is de soort in de afgelopen decennia achteruitgegaan. GBIF bevat bijna driehonderd waarnemingen, vrijwel alle uit dit gebied.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Strikt nachtactief: overdag ligt hij verborgen in dicht struweel, 's nachts foerageert hij op open plekken, bij voorkeur op recent afgebrande of gemaaide stukken heide. Hij eet gras en kruiden, jonge bremscheuten, heide en bosbes, en in de winter bast en twijgen; zoals alle hazen eet hij zijn blindedarmkeutels opnieuw op. Over de voortplanting is minder bekend dan bij de andere Europese hazen: de worpen vallen tussen ongeveer maart en september, met naar schatting twee tot drie worpen per jaar van gemiddeld twee jongen, minder dan bij de haas in het laagland. De jongen worden behaard en met open ogen geboren en liggen elk apart tussen de struiken. Er is geen winterrust; de soort blijft ook onder de sneeuw actief.
Waar en wanneer kijken
De beste momenten zijn de laatste minuten daglicht en het eerste uur van de nacht, op een pas afgebrande of kort begraasde helling boven duizend meter, met een verrekijker of lamp. Bergpassen zijn praktische waarneemplekken: Puerto de San Isidro, Puerto de Ventana (de typelocatie van de soort), Puerto de Somiedo, Puerto de Pajares, Puerto de Piedrasluengas en het hoogland van Alto Campoo. Rijd na zonsondergang langzaam over de passweg en zoek naar oogreflecties langs de bermen; overdag is de kans klein. Bij wandelingen over de kammen in juni of juli kan een dier uit het bremveld opspringen. Noteer de exacte locatie: bij deze soort is de vindplaats het belangrijkste determinatiegegeven.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar (VU, 2025), vrijwel geheel als gevolg van de kleine, versnipperde verspreiding: het hele wereldareaal ligt binnen een gebied van ongeveer 230 bij 40 kilometer, en aan de oostrand krimpt het. De aantallen worden geschat op enkele duizenden dieren. Bedreigingen zijn de verandering van heide en bremvelden (het wegvallen van traditionele beweiding en branden, waardoor het struweel dichtgroeit en veroudert, en daarnaast te grote en te frequente branden), bebossing met naaldhout, wegen en windparken op de kammen, en klimaatopwarming, waardoor de geschikte hoogtezone aan de onderkant kleiner wordt. De jacht is toegestaan in León en Cantabrië en gesloten in Asturië, maar de soort heeft in geen enkele provincie wettelijke bescherming. Daarnaast bestaat het risico dat uitgezette hazen van elders ziekten en vreemde genen introduceren in een populatie die geen andere populaties heeft van waaruit herstel mogelijk is.
Wetenschappelijke naam
Lepus castroviejoi | Palacios, 1977
Palacios beschreef de soort in 1977 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Lepus is het Latijnse woord voor 'haas'. castroviejoi eert de Spaanse bioloog Javier Castroviejo, destijds directeur van het biologisch station van Doñana. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Spanje, Puerto Ventanas.






