Alle soorten › Roofdieren › Katachtigen › Euraziatische lynx
Euraziatische lynx | Lynx lynx
Eurasian lynx | Lince
De lynx (Lynx lynx) is de grootste katachtige van Europa. De soort jaagt vooral in de schemering, beweegt zich geluidloos en wordt ook in gebieden met tientallen dieren zelden gezien; ook de meeste boswachters in zulke gebieden krijgen er nooit een te zien. Aanwijzingen voor zijn aanwezigheid zijn vooral de ronde prent zonder nagelafdrukken en afgedekte prooiresten.
Sporen
De prent wordt van alle Europese roofdierprenten het vaakst verkeerd gedetermineerd, omdat de afmeting aan een hond doet denken. Hij is rond tot iets breder dan lang, ongeveer 7 tot 9 cm in doorsnee en in verse sneeuw, waar de voetharen meetekenen, groter, met vier tenen en geen nagelafdrukken: de nagels zijn intrekbaar. De tenen staan asymmetrisch (de voorste teen wijst duidelijk naar één kant) en het zoolkussen is groot, met drie lobben aan de achterrand. Een hondenprent van dezelfde grootte is langer dan breed, toont altijd nagels en is smaller. Het spoor loopt in een rechte, smalle lijn met een pas van 40 tot 70 cm, waarbij de achtervoet in de voorvoetafdruk wordt gezet; in diepe sneeuw sleept de lynx de voeten niet, de vos wel. Het tweede kenmerk is de prooi. Een lynx doodt vooral reeën, eet eerst de bilspieren en de achterhand en dekt het karkas daarna af met sneeuw, mos, blad, takken en gras, zodat een afgedekte hoop ontstaat waaruit vaak een poot steekt; hij keert er twee tot vijf nachten naar terug. Een wolf laat een karkas open en verspreid liggen; een vos eet aan de buikzijde en sleept stukken weg. De keelbeet zit hoog, de huid is teruggeslagen en de ribben zijn niet stukgebeten. Verder zijn er krabbomen met schuine, evenwijdige krassen op kophoogte in de bast van een dode of schuinstaande stam, vaak jaar na jaar dezelfde boom, met haren in de bast en een gekrabde kuil eronder; keutels die vaak begraven of half afgedekt zijn en lijken op die van een vos, maar dikker zijn en scherp naar bot ruiken; en ligplaatsen onder een rots of omgevallen stam met uitzicht. In februari, in de ranstijd, is een lage, hese roep te horen die ver draagt en klinkt als het loeien van een koe in de verte. Buiten de ranstijd is de soort stil.


In zijn leefgebied

Herkenning
Een hoogbenige katachtige met een korte staart: kop-romp 90 tot 120 cm, staart 19 tot 23 cm, gewicht 17 tot 25 kg. De romp is kort in verhouding tot de poothoogte, de achterhand is duidelijk hoger dan de voorhand, en de voeten zijn groot en in de winter dicht behaard, wat het wegzakken in sneeuw beperkt. De staart is kort en eindigt in een stompe, rondom zwarte punt, niet alleen aan de bovenzijde zwart. Aan de oren staan zwarte penseelharen van drie tot vijf centimeter, en de kop wordt omlijst door uitstaande bakkebaarden die in de winter een volle kraag vormen. De vacht is geelbruin tot grijsbruin en gevlekt, variërend van bijna ongevlekte, grijze dieren in het noorden tot sterk en scherp gevlekte dieren in de Karpaten. Buik, keel en binnenzijde van de poten zijn wit. De gang is lang, zacht en geluidloos, met de kop laag; over korte afstand sprint het dier snel, maar het vervolgt prooi zelden ver.
Gelijkende soorten
Bij een goede waarneming is de lynx met geen andere Europese soort te verwarren, maar veel gemelde lynxen blijken een andere soort. De wilde kat en vooral de verwilderde huiskat worden het vaakst voor een lynx aangezien, zeker op cameravalbeelden waarop de schaal ontbreekt: beide hebben een lange staart (bij de wilde kat dik, geringd en met een stompe zwarte punt), zijn veel lager op de poten en missen penseeloren en bakkebaarden. Er zijn grote, hoogbenige huiskatten met oorpluimpjes; de staartlengte is dan beslissend. Op het Iberisch Schiereiland komt de Iberische lynx (Lynx pardinus) voor, kleiner, fijner en scherper gevlekt en met sterk ontwikkelde bakkebaarden; de arealen van beide soorten overlappen niet, want de lynx ontbreekt op het Iberisch Schiereiland. Een lynx die daar wordt gezien, is een Iberische lynx of een uit gevangenschap ontsnapt dier. Een grote vos wordt in het licht van een lamp soms voor een lynx aangezien, tot de staart zichtbaar is. Vermeende lynxen in de Lage Landen en op de Britse Eilanden bleken vrijwel steeds ontsnapte of losgelaten katten, honden of niet bewijskrachtige foto's; in 2025 werden in de Schotse Hooglanden illegaal losgelaten lynxen binnen enkele dagen weer gevangen.
Leefgebied
Uitgestrekte, aaneengesloten bossen met veel structuur: oude naald- en gemengde bossen met dood hout, jonge aanplant en open plekken, afgewisseld met rotsen, puinhellingen, steile hellingen en kapvlakten. In het noorden taiga en berkenzone tot aan de boomgrens; in de Karpaten en de Alpen in de zomer tot in de dwergstruik- en alpiene zone. Vereist is dekking op korte afstand van reeën: de lynx is een sluipjager en gebruikt struiken, rotsen of dood hout om ongezien tot op enkele sprongen te naderen. Daarnaast is rust nodig. Open cultuurland wordt doorkruist maar niet bewoond; grote wegen worden niet gemeden, en veel dieren komen er om.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Van Scandinavië en de Baltische staten door Rusland tot Siberië en het Tibetaans Hoogland, met in Midden-Europa een reeks geherintroduceerde populaties. In West- en Midden-Europa werd de soort in de negentiende eeuw uitgeroeid; vanaf de jaren zeventig is ze uitgezet in de Zwitserse Alpen, de Vogezen, het Beierse Woud, de Harz, Slovenië en Kroatië, en een deel van die populaties is inmiddels met elkaar verbonden. Grote, aaneengesloten populaties bestaan in Scandinavië, de Baltische staten, Polen, de Karpaten en de Balkan. De Balkanlynx in Noord-Macedonië en Albanië telt enkele tientallen dieren. Op het Iberisch Schiereiland is de soort in historische tijd verdwenen; de dichtstbijzijnde dieren leven in de Jura en de Franse Alpen, met sporadische waarnemingen in de Franse Pyreneeën en geen aanwijzingen voor vestiging aan Spaanse zijde. Op de Britse Eilanden is de lynx sinds de vroege middeleeuwen uitgestorven; Schotse radiokoolstofdateringen reiken tot ver in het eerste millennium na Christus. Een terugkeer wordt in Groot-Brittannië besproken in verband met de hoge hertenstand; een vergunning voor herintroductie in de Cairngorms of Kielder, zoals voorgesteld, is niet verleend, en er is geen wilde populatie. In de Lage Landen komt de soort niet voor; er zijn incidentele zwervers gemeld uit de Duitse en Waalse bossen, en vestiging in de Ardennen wordt mogelijk geacht maar heeft niet plaatsgevonden.
- Inheems
- Herintroductie
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Schemeractief, vooral rond zonsopgang en zonsondergang, in de winter ook overdag. Solitair, met een groot territorium: in Midden-Europa honderd tot enkele honderden vierkante kilometers, in het voedselarme noorden veel meer. Het territorium wordt met urine, krabbomen en keutels langs vaste routes gemarkeerd; dat van een kater overlapt met dat van een of meer katten. De lynx jaagt vooral op reeën en gemzen, aangevuld met hazen, jonge hoefdieren, vossen, marterachtigen en bosvogels; in het hoge noorden is het rendier de belangrijkste prooi. Gemiddeld wordt ongeveer één ree per week gedood. De ranstijd valt in februari en maart; na ongeveer 70 dagen worden in mei of juni twee of drie jongen geboren, in een rotsspleet, onder een omgevallen boom of in dicht struweel. Ze blijven bijna een jaar bij de moeder en trekken in het voorjaar weg, vaak over grote afstanden. Geen winterrust; in de winter heeft de lynx door zijn brede, behaarde voeten een voordeel bij de jacht op reeën, die dieper in de sneeuw wegzakken.
Waar en wanneer kijken
Een waarneming van het dier zelf is zeldzaam; meestal wordt de soort aan sporen vastgesteld. In de sneeuw zijn bosbouwwegen in de Karpaten, Slowakije of Zweden het meest geschikt: de ronde prent zonder nagels en het rechte spoor leiden soms naar een afgedekt karkas. Blijf daar uit de buurt, omdat een verstoorde lynx zijn prooi achterlaat. Overdag kunnen in maart in de Alpen of de Jura vanaf een hoog punt open hellingen met een telescoop worden afgezocht. In de Karpaten en de Dinariden worden cameravallen op wildwissels en bij krabbomen gebruikt; ook het onderzoek telt de dieren zo, omdat de vlektekening op de flank per individu verschilt en aan een goede zijopname een individueel dier te herkennen is. In februari is 's nachts de roep te horen.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (LC, 2015). In Europa zijn de noordelijke en oostelijke populaties groot en wordt er legaal op gejaagd, terwijl verschillende Midden- en Zuid-Europese populaties klein, versnipperd en genetisch verarmd zijn. De Balkanlynx is met enkele tientallen dieren ernstig bedreigd, en de populaties in de Vogezen en de Dinariden zijn afhankelijk van het uitzetten van dieren van elders. De belangrijkste bedreigingen zijn stroperij, verkeer, versnippering van bos door wegen en conflicten met de jacht, omdat de lynx dezelfde reeën bejaagt als jagers. Predatie op schapen is plaatselijk en beperkt. De soort is in de hele Europese Unie strikt beschermd. In Midden-Europa is aangetoond dat herintroductie mogelijk is; de vraag is nu of de afzonderlijke populaties met elkaar verbonden raken. In Groot-Brittannië is de vraag of herintroductie plaatsvindt. Op het Iberisch Schiereiland komt alleen de Iberische lynx voor; die is hersteld van minder dan honderd dieren in Doñana en Andújar tot meer dan tweeduizend in Andalusië, Extremadura, Castilla-La Mancha en Portugal, en van Ernstig Bedreigd naar Kwetsbaar gegaan.
Wetenschappelijke naam
Lynx lynx | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Felis Lynx; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Lynx is het Griekse lynx, waarschijnlijk bij de wortel *leuk- 'licht, glans', naar de weerspiegelende ogen. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden, Vänersborg.





