Alle soorten › Insecteneters › Spitsmuizen › Cabrera-waterspitsmuis

Cabrera-waterspitsmuis | Neomys anomalus

Cabrera’s Water Shrew | Musgaño de Cabrera

De Cabrera-waterspitsmuis is de Neomys van het Iberisch Schiereiland. Cabrera beschreef hem in 1907 van de oever van de Jarama bij San Martín de la Vega, ten zuiden van Madrid. Lange tijd gold hij als een ondersoort van een soort die van Spanje tot Iran reikte, maar een multilocus-DNA-studie uit 2015 toonde aan dat de Iberische dieren een eigen soort vormen, die ongeveer 400.000 jaar geleden van de rest van Europa is gescheiden. Sindsdien draagt alleen deze Iberische soort de naam N. anomalus, en is de soort van de rest van Europa de Millers waterspitsmuis (N. milleri). In oudere Nederlandstalige literatuur gaat de Iberische soort onder die laatste naam of als moerasspitsmuis schuil.

Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Sporen

Er zijn geen sporen die alleen van deze soort zijn. De keutels zijn klein, zwart en vol chitineresten, en liggen op stenen en wortels langs de oever; ze zijn op het oog niet te scheiden van die van de waterspitsmuis en, in de beken waar beide leven, ook niet van die van de Pyrenese desman. Wie keutels verzamelt, laat ze daarom genetisch bepalen; dat is in het noorden van Spanje de gangbare methode bij onderzoek naar de desman, en levert de Neomys-soorten als bijvangst. Braakballen van de kerkuil zijn de andere bron: de onderkaak met roodbruine tandpunten en een lage kaaktak wijst op deze soort, zeker buiten het areaal van de waterspitsmuis.

Herkenning

Een middelgrote spitsmuis met een donkergrijze tot zwartachtige rug en een lichte, grijswitte buik, meestal met een duidelijke grens op de flank. De tandpunten zijn roodbruin. Hij is kleiner en minder aan het water aangepast dan de waterspitsmuis: de achtervoeten zijn kleiner en dragen kortere, minder dichte haarranden, en de kiel van stijve haren onder de staart beslaat alleen de achterste helft van de staart. De oren zijn klein en verdwijnen in de vacht. Kop-romplengte 7,2 tot 9,0 cm, staart 5,2 tot 7,2 cm, achtervoet 14,5 tot 18 mm, gewicht 9 tot 16 gram; drachtige vrouwtjes kunnen zwaarder zijn. Vergeleken met de Millers waterspitsmuis van de rest van Europa heeft deze soort een langere staart en een grotere achtervoet.

Gelijkende soorten

In het noorden van het Iberisch Schiereiland leeft de soort naast de waterspitsmuis (Neomys fodiens), en daar ligt de moeilijkheid. De maten overlappen: de achtervoet van de Cabrera-waterspitsmuis haalt tot 18 mm, die van de waterspitsmuis begint rond 16 mm, en ook de staartlengtes lopen door elkaar. Bruikbaar in de hand zijn het geheel van een kleiner lijf, kleinere voeten met kortere zwemharen en een staartkiel die alleen op het achterste deel van de staart staat; bij versleten dieren valt ook dat kenmerk weg. In de schedel is de hoogte van de processus coronoideus van de onderkaak meestal minder dan 4,8 mm, bij de waterspitsmuis meer. In het midden en zuiden van het schiereiland, waar de waterspitsmuis ontbreekt, is elke Neomys een Cabrera-waterspitsmuis. In het noordoosten, in een deel van Catalonië, komt de Millers waterspitsmuis voor, die uitwendig niet te onderscheiden is; daar beslist alleen DNA. De Pyrenese desman deelt dezelfde beken, maar is veel groter en heeft een beweeglijke snuit.

Leefgebied

Vochtige plekken langs stromend en stilstaand water: beken en rivieren met oeverbegroeiing, bronnen, sloten, irrigatiekanalen, moerasjes en natte weiden. De soort is minder van water afhankelijk dan de waterspitsmuis en heeft een duidelijker mediterrane voorkeur; hij wordt ook gevonden in natte ruigten en tuinen op enige afstand van open water. Hij komt voor van zeeniveau tot boven 1600 m in de Pyreneeën en de Sierra de Gredos, in gebieden met een jaarlijkse neerslag van ruim 300 tot bijna 1900 mm.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Het areaal valt vrijwel geheel binnen Spanje en Portugal. De soort is wijdverbreid in de noordelijke helft van het schiereiland, met uitzondering van het noordoosten, waar de Millers waterspitsmuis haar plaats inneemt, en komt in het zuiden alleen verspreid voor: in het oosten van Andalusië, het zuiden van Albacete, het westen van Huelva en het zuiden van Badajoz. Omdat een groot deel van Zuid- en West-Frankrijk geen Neomys anomalus in de oude, ruime zin kent, zijn de Iberische populaties van de rest van Europa geïsoleerd; dat isolement verklaart de afsplitsing. Genetisch onderzoek wijst op meerdere ijstijdrefugia binnen het schiereiland, met een patroon dat bij andere semi-aquatische zoogdieren van het schiereiland, waaronder de Pyrenese desman, terugkomt. Het bekende areaal in Spanje is geschat op ongeveer 73.000 km².

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Overwegend nachtactief, en schuwer en minder agressief dan de waterspitsmuis. Het voedsel is strikt dierlijk en bestaat uit ongewervelden van het water en van het land: insecten en hun larven, spinnen, vlokreeftjes, slakken en regenwormen. De draagtijd bedraagt 20 tot 24 dagen, een worp telt vijf tot dertien jongen, en een vrouwtje kan in een seizoen meerdere worpen grootbrengen. Over de sociale organisatie van de Iberische soort zelf is weinig gepubliceerd; bij de verwante Millers waterspitsmuis leven dieren in kleine, verdraagzame groepen. Er is geen winterslaap.

Waar en wanneer kijken

Een Cabrera-waterspitsmuis is op zicht niet sluitend te herkennen, maar de vindplaats helpt: in het midden en zuiden van het schiereiland is elke kleine spitsmuis met een donkere rug, een lichte buik en zwemharen deze soort. Zoek in de schemering langs begroeide beekjes en irrigatiekanalen, en controleer stenen en wortels op keutels. Het uitpluizen van braakballen uit kerkuilnesten in kerken, boerderijen en schuren levert de meeste gegevens op. In het noorden, waar ook de waterspitsmuis en de desman leven, is een keutel alleen via DNA toe te wijzen; bewaar keutels droog of in alcohol als ze voor onderzoek bedoeld zijn.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2024); de soort is na de splitsing voor het eerst afzonderlijk beoordeeld. In Spanje geldt hij eveneens als niet bedreigd, maar vervuiling van het water en het verdwijnen van de oeverbegroeiing hebben een aantoonbaar negatief effect. Slechts ongeveer een tiende van het bekende areaal ligt in beschermd gebied. De grootste onzekerheid is het klimaat: modellen voor Spanje voorspellen voor de periode 2041–2070 een krimp van het klimatologisch geschikte gebied met 96 tot 98 procent, met een zeer kleine overlap tussen het huidige en het toekomstige areaal. Of de soort zich daaraan kan onttrekken door naar hoger gelegen of koelere beekdalen uit te wijken, is niet onderzocht.

Wetenschappelijke naam

Neomys anomalus | Cabrera, 1907

Cabrera beschreef de soort in 1907 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Neomys is Grieks, van neos 'nieuw' en mys 'muis'. anomalus is Latijn voor 'afwijkend, onregelmatig', uit het Griekse anōmalos: Cabrera zag het dier als een afwijkende vorm naast de bekende waterspitsmuis. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Spanje.