Alle soorten › Insecteneters › Spitsmuizen › Wimperspitsmuis
Wimperspitsmuis | Suncus etruscus
Savi’s pygmy shrew | Musarañita
De wimperspitsmuis weegt 1,2 tot 2,7 gram en behoort daarmee tot de lichtste zoogdieren die bekend zijn. Hij leeft in het droge, open landschap rond de Middellandse Zee: olijfgaarden, wijngaarden, macchia en oude terrassen met droge stenen muurtjes. Omdat een dier van twee gram zijn warmte snel verliest, eet hij dagelijks ongeveer tweemaal zijn eigen gewicht en kan hij bij voedseltekort de lichaamstemperatuur voor enkele uren laten zakken. In het veld wordt hij zelden gezien; bijna alles wat over zijn verspreiding bekend is, komt uit braakballen van uilen.
Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Sporen
In het veld laat de wimperspitsmuis weinig bruikbare sporen na. De prenten zijn zo klein, de voorvoet ongeveer 5 mm lang en de achtervoet 7 bij 4 mm, dat ze alleen in fijn stof of slib te zien zijn en niet sluitend van die van jonge Crocidura te scheiden. De keutels zijn minuscuul en worden zelden gevonden. De soort wordt vrijwel uitsluitend vastgesteld in braakballen van de kerkuil en, minder vaak, van de steenuil en andere roofvogels: de schedeltjes en onderkaken zijn door hun formaat en het gebit met vier eenpuntige tanden goed herkenbaar. In Bulgarije kwamen van zeventien nieuwe vindplaatsen de meeste uit kerkuilbraakballen en slechts vijf van dode dieren. Een dood dier op een pad of aangevoerd door een kat is de andere gangbare bron.
Herkenning
Een zeer kleine witgetande spitsmuis met een naar verhouding grote kop, een lange, spitse snuit en grote, uitstekende oren. De vacht is grijsbruin met een roodachtige tint op de rug en lichter grijs op de buik, zonder scherpe grens. De staart is ongeveer half zo lang als kop en romp, dik aan de basis, en draagt behalve kort haar lange, afstaande trilharen, waaraan de Nederlandse naam refereert; die haren komen bij alle witgetande spitsmuizen voor, maar vallen bij deze kleine soort extra op. De tanden zijn wit. Het onderscheidende kenmerk in de hand is het gebit: in de bovenkaak staan vier kleine eenpuntige tanden achter de voortand, tegen drie bij de Crocidura-soorten. Kop-romplengte 3,5 tot 5,3 cm, staart 2,1 tot 3,0 cm, achtervoet 5,7 tot 7,9 mm, gewicht 1,2 tot 2,7 gram. Het hart kan ruim 1500 keer per minuut slaan.
Gelijkende soorten
Het grootste risico op verwarring ligt bij jonge witgetande spitsmuizen van het geslacht Crocidura, zoals de huisspitsmuis (C. russula) en de tuinspitsmuis (C. suaveolens), die in dezelfde landschappen leven en als jong dier klein zijn. Volwassen Crocidura wegen vier tot vijftien gram of meer, dus een dier onder de drie gram is vrijwel zeker een wimperspitsmuis; bij twijfel beslist het gebit, met vier in plaats van drie kleine eenpuntige tanden in de bovenkaak, en de naar verhouding grotere kop en oren. De dwergspitsmuis (Sorex minutus) is ook klein maar zwaarder, heeft roodbruine tandpunten, kleine oren die in de vacht verdwijnen en een staart zonder afstaande trilharen; hij leeft in vochtiger en koeler terrein en overlapt in Zuid-Europa alleen plaatselijk in het gebergte. Muizen zijn geen spitsmuizen: stompe snuit, grote ogen, knaagtanden.
Leefgebied
Open, droog en warm mediterraan terrein: olijfgaarden, wijngaarden, amandel- en andere boomgaarden op droge grond, macchia, garrigue, braakliggende akkers, dehesa en ijl bos. Kenmerkend zijn droge stenen muurtjes, steenhopen en landbouwterrassen, waar spleten beschutting, een gelijkmatige temperatuur en veel insecten bieden. De soort komt meestal voor onder 1000 m, in streken met een jaarlijkse neerslag van minder dan 1000 mm en een gemiddelde temperatuur boven ongeveer 5 °C. Hij wordt ook gevonden bij erven, schuren en oude gebouwen op het platteland.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Circum-mediterraan en verder door Zuidwest- en Centraal-Azië tot Zuid- en Zuidoost-Azië. In Europa beslaat het areaal het grootste deel van het Iberisch Schiereiland, behalve Galicië, Cantabrië en het hooggebergte, het mediterrane zuiden van Frankrijk, Italië met Sardinië, Corsica en Sicilië, Malta, de Adriatische kust en de Balkan tot Griekenland, Bulgarije en Cyprus, en daarnaast Turkije en Noord-Afrika van Marokko tot Egypte. Op de Balearen ontbreekt de soort; op Tenerife komt hij voor. De grenzen van het areaal verschuiven: in Bulgarije is hij recent voor het eerst ten noorden van de Stara Planina gevonden, en ook elders aan de noordrand zijn nieuwe vindplaatsen gemeld, zoals op Samos. Klimaatverandering wordt als mogelijke oorzaak van die uitbreiding genoemd.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Overwegend nachtactief, in vele korte perioden verspreid over het etmaal. De wimperspitsmuis eet ongeveer tweemaal zijn eigen gewicht per dag aan ongewervelden, vooral sprinkhanen en krekels, en daarnaast spinnen, slakjes, duizendpoten en wormen, en af en toe olijven of ander fruit. Hij valt prooien aan die twee tot drie keer zo zwaar zijn als hijzelf. Om energie te sparen kan hij bij kou of voedseltekort dagelijks enkele uren in torpor gaan, een verlaagde lichaamstemperatuur en stofwisseling; een winterslaap houdt hij niet. De voortplanting loopt van het voorjaar tot de herfst: na een draagtijd van 27 tot 30 dagen worden twee tot vijf jongen geboren, gemiddeld ruim drie, en een vrouwtje heeft doorgaans drie worpen per jaar. De jongen worden ongeveer drie weken gezoogd. Buiten de voortplantingstijd leeft de soort vermoedelijk solitair.
Waar en wanneer kijken
De kans om een levende wimperspitsmuis te zien is klein, maar niet nul. Bij het omdraaien van stenen of het afzoeken van droge stenen muurtjes in olijfgaarden en op terrassen, in de schemering met een zaklamp, wordt soms een dier gezien dat schokkerig tussen de spleten beweegt; het fijne, hoge gepiep gaat vaak aan de beweging vooraf. Leg de stenen daarna terug op hun plaats. De betrouwbaarste methode is het uitpluizen van kerkuilbraakballen uit schuren, kerken en verlaten boerderijen in het mediterrane laagland: de schedeltjes zijn met een loep te herkennen aan de geringe grootte en de vier eenpuntige tanden. Vind je een dood dier, weeg en meet het dan en geef het met foto's als waarneming door; zeker aan de noordrand van het areaal is elke nieuwe vindplaats van belang.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2017). De soort heeft een groot areaal en geldt in geschikt terrein als plaatselijk algemeen, al zijn betrouwbare dichtheden nauwelijks bekend omdat hij zo moeilijk te vangen is. Lokaal gaat hij achteruit door het verdwijnen van extensieve landbouw: het opruimen van stenen muurtjes en terrassen, de omzetting van oude olijfgaarden en wijngaarden in intensieve teelten, het gebruik van insecticiden, en het dichtgroeien of bebouwen van verlaten land. Aan de noordrand van het areaal lijkt de soort juist uit te breiden. Uilen, en vooral de kerkuil, zijn de belangrijkste natuurlijke vijanden; kleine roofdieren en katten doden ook dieren.
Wetenschappelijke naam
Suncus etruscus | (Savi, 1822)
Savi beschreef de soort in 1822 als Sorex etruscus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Suncus is gevormd naar een Indiase volksnaam voor de huisspitsmuis; Ehrenberg noemt in 1832 niet welke, en het woord laat zich niet met zekerheid thuisbrengen. etruscus is Latijn voor 'Etruskisch', van Etrurië, het oude landschap dat Toscane werd; Savi beschreef het dier uit Pisa. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Italië, Pisa.






