Alle soorten › Evenhoevigen › Vinvissen › Dwergvinvis

Dwergvinvis | Balaenoptera acutorostrata

Common minke whale | Rorcual menor

De dwergvinvis is de kleinste vinvis van de noordelijke Atlantische Oceaan en een baleinwalvis die in het gidsgebied regelmatig vanaf de kust te zien is. Volwassen dieren worden tot 8,8 meter lang. De soort is beschreven naar een jong vrouwtje dat in 1791 bij Cherbourg aanspoelde. Rond de Britse Eilanden is ze in de zomer regelmatig te zien, vooral in het noorden en westen van Schotland en in de noordelijke Noordzee.

Dwergvinvis (Balaenoptera acutorostrata)
Foto: Carina Gsottbauer — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

De adem is onopvallend, een lage, dunne pluim van twee tot drie meter die meestal niet wordt gezien. Vaak verschijnt eerst de spitse snuit, daarna de rug, en de rugvin komt vrijwel gelijktijdig met de adem boven. Bij het wegduiken krult de staartwortel hoog op, maar de staartvin komt niet boven water. Een dier ademt enkele keren kort na elkaar en blijft daarna meerdere minuten onder. Dwergvinvissen zijn meestal alleen of in paren; bij voedselconcentraties komen ze samen in groepen van tien tot twintig. Waar ze foerageren, zijn vaak zeevogels zoals jan-van-genten, meeuwen en alkachtigen boven het water te zien. Soms komt een dier uit zichzelf dicht bij een stilliggende boot. Springen doet de soort af en toe.

Herkenning

Een slanke, donkere walvis met een spitse, driehoekige kop, die van boven gezien als een punt toeloopt. De rug is donkergrijs tot zwart, de buik wit, en op de flank lopen lichtgrijze vegen omhoog. Kenmerkend voor de dieren in de noordelijke Atlantische Oceaan is een brede witte band dwars over de borstvin, die zichtbaar is wanneer het dier vlak onder het oppervlak zwemt of zich omdraait. De rugvin staat op ongeveer twee derde van de rug en is rechtop en naar achteren gebogen; hij is in verhouding tot het lichaam hoger dan bij de grote vinvissen. Volwassen dieren worden tot 8,8 meter lang, vrouwtjes ongeveer zeventig centimeter langer dan mannetjes; een pasgeboren jong is ongeveer 2,8 meter lang.

Gelijkende soorten

De gewone vinvis is twee tot drie keer zo lang, heeft een hoge, zuilvormige adem en een lange rug die bij elke ademhaling in beeld blijft voordat de vin verschijnt; de rechteronderkaak is wit. Een jonge vinvis kan qua lengte op een dwergvinvis lijken, maar mist de witte band op de borstvin. De noordse vinvis (Balaenoptera borealis), die in het noorden en westen van het gidsgebied voorkomt, is groter en toont kop, adem en een hoge, rechtopstaande vin vaak tegelijk. De bultrug is gedrongener, heeft lange, witte borstvinnen, een lage vin op een bult, en licht bij het duiken de staart. Op grote afstand kan een dwergvinvis met een tuimelaar of een griend worden verward: de vin is vergelijkbaar van vorm, maar staat ver naar achteren op een veel langere rug.

Leefgebied

Kustwateren en het continentaal plat, vaak boven zand- en grindbanken, bij zeestromen en fronten waar scholenvissen samenkomen. De soort eet kleine scholenvissen zoals zandspiering, haring, sprot, lodde en makreel, en in het hoge noorden ook krill. Ze komt tot in baaien, fjorden en zeestraten, en is daardoor ook vanaf land te zien.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Wijdverbreid in de middelste en oostelijke noordelijke Atlantische Oceaan, van IJsland, Noorwegen en de Barentszzee naar het zuiden tot het zuidwesten van Portugal. Rond de Britse Eilanden is de soort het talrijkst voor de noord- en westkust van Schotland en rond de Hebriden, voor de west- en zuidkust van Ierland, in het midden van de Ierse Zee en in de noordelijke en middelste Noordzee. In de zuidelijke Noordzee en in de oostelijke helft van het Kanaal is ze zeldzaam. In Noorwegen komt ze langs de hele kust voor, in de zomer ook rond Spitsbergen. In de Middellandse Zee is de dwergvinvis een zeldzame gast.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Dag en nacht actief. De dieren leven meestal alleen; wat er aan sociale structuur is, is weinig onderzocht. Veel dwergvinvissen trekken in de zomer naar voedselrijke noordelijke wateren en in de winter naar het zuiden, maar waar de dieren uit het gidsgebied overwinteren en jongen krijgen, is grotendeels onbekend. Een pasgeboren jong is ongeveer 2,8 meter lang en weegt ongeveer 450 kilo. De soort jaagt onder meer door met open bek door een school vissen te zwemmen, soms nadat meeuwen en alken die school al naar het oppervlak hebben gedreven.

Waar en wanneer kijken

Rond de Britse Eilanden is de kans het grootst tussen mei en september. Bekende plekken zijn de Hebriden en de kust van Mull, de kusten van Shetland en Orkney en de Noordoost-Engelse kust bij Northumberland en Yorkshire, waar ook boottochten vertrekken. In IJsland zijn dwergvinvissen in de zomer in de Faxaflói bij Reykjavík en rond Húsavík te zien. Kies een hoog uitzichtpunt op een kaap, bij kalme zee en zonder tegenlicht, en let op zeevogels die op één plek boven het water cirkelen: daar kan een foeragerende dwergvinvis bovenkomen. Omdat de adem vaak onzichtbaar is, zie je meestal eerst de rug en de vin.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2018). De populatie in de noordelijke Atlantische Oceaan wordt op meer dan honderdduizend dieren geschat. Noorwegen vangt de soort commercieel en haalt jaarlijks enkele honderden dieren binnen. Verdere bedreigingen zijn verstrikking in vistuig, aanvaringen met schepen, onderwatergeluid en afname van prooivis. De soort staat in de EU op bijlage IV van de Habitatrichtlijn en is in de Britse en Ierse wateren wettelijk beschermd.

Wetenschappelijke naam

Balaenoptera acutorostrata | de Lacépède, 1804

De Lacépède beschreef de soort in 1804 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Balaenoptera is gevormd uit het Latijnse balaena 'walvis' en het Griekse pteron 'vleugel, vin': de walvis met een rugvin, anders dan de Groenlandse walvis en de noordkaper. acutorostrata is gevormd uit het Latijnse acutus 'spits' en rostratus 'met een snuit': met spitse snuit, naar de puntige kop. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Frankrijk, Cherbourg.