Alle soorten › Roofdieren › Zeehonden › Klapmuts

Klapmuts | Cystophora cristata

Hooded seal | Foca capuchina

De klapmuts (Cystophora cristata) is een zeehond van diep water en drijfijs in het noorden van de Atlantische Oceaan. De soort heeft de kortste bekende zoogtijd van alle zoogdieren: het jong drinkt drie tot vijf dagen, verdubbelt in die tijd zijn gewicht en wordt daarna door de moeder op de schots achtergelaten. De volwassen stier heeft twee opblaasbare structuren op de kop: een zwarte, uitzetbare neusholte boven de snuit, de 'muts' waaraan de soort haar naam ontleent, en een rood neustussenschot dat hij bij opwinding door één neusgat naar buiten blaast.

Klapmuts (Cystophora cristata)
Foto: steve b — CC0 · Wikimedia Commons

Sporen

Langs de Europese kusten is het gewoonlijk het dier zelf dat wordt gevonden: een uitgeputte jonge klapmuts op het strand, in de late winter of het voorjaar, honderden kilometers buiten het normale verspreidingsgebied. Van de branding naar de duinvoet loopt dan een brede sleepsleuf van dertig tot vijftig centimeter, met het dier meestal aan het eind, onbeweeglijk en met de kop laag. Een gestrande klapmuts verkeert vrijwel altijd in nood, in tegenstelling tot een gewone zeehond die op het strand rust. Ook jonge dieren zijn prikkelbaar: ze blazen, openen de bek en gaan op mensen en honden af in plaats van weg te schuiven. Op het pakijs zijn de sporen die van andere ijsbewonende zeehonden: een korte sleuf van de rand van het wak naar de ligplaats en, in de worptijd, bloedvlekken en vertrapte sneeuw waar stieren om een wijfje hebben gevochten.

Het jong

Klapmuts, jonge 'blueback' aangespoeld op een nederlands strand: leiblauwe rug scherp gescheiden van de romige buik
Jonge 'blueback' aangespoeld op een Nederlands strand: leiblauwe rug scherp gescheiden van de romige buik · Foto: Michael Bakker Paiva — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Groot en zwaar, met een brede, gebolde kop en een korte snuit. De vacht is zilvergrijs tot blauwgrijs en op rug en flanken bezet met onregelmatige, scherp begrensde donkere vlekken; kop, snuit en achterlijf zijn meestal effen donker tot zwart. Het volwassen mannetje heeft twee opblaasbare structuren: de zwarte 'muts', een uitzetbare neusholte die opgeblazen boven kop en snuit uitpuilt, en het rode neustussenschot, dat hij door één neusgat naar buiten kan blazen tot een glanzende, felrode blaas. Wijfjes zijn kleiner en hebben geen van beide. Het jong wordt 'blueback' genoemd: de rug is leiblauw en scherp gescheiden van een romige buik; het witte lanugo wordt al vóór de geboorte afgeworpen.

Gelijkende soorten

Langs de Europese kusten is een klapmuts vrijwel altijd een dwaalgast op het strand, meestal een jong dier. Een blueback is aan de scherpe scheiding tussen leiblauwe rug en romige buik te herkennen; het jong van de zadelrob is in dat stadium zilvergrijs met scherpe zwarte vlekken en niet tweekleurig, en het jong van de gewone zeehond is fijn gestippeld en veel kleiner. Een volwassen klapmuts verschilt van de grijze zeehond door de brede, gebolde kop met korte snuit (bij de grijze zeehond een lange, rechte snuit) en door scherp begrensde donkere vlekken (bij de grijze zeehond een vlekkerige, onscherpe tekening). Van de baardrob verschilt hij door de grote, zware kop (bij de baardrob klein ten opzichte van het lichaam) en door de vlekken, die de baardrob niet heeft. Bij een dood dier is de losse, rimpelige huid boven de snuit ook bij wijfjes en jongen te voelen.

Leefgebied

Diep water en zwaar drijfijs, ver van de kust. De soort is niet gebonden aan een ondiepe bodem, zoals de baardrob: hij duikt tot honderden meters, uitzonderlijk dieper dan een kilometer, en jaagt op inktvis, roodbaars, heilbot, pooldorsj en garnalen in de diepe noordelijke zeeën. Werpen en verharen gebeurt op dik drijfijs boven diep water. Dwaalgasten belanden op zandstranden, in havens en op kustrotsen, waar ze zelden lang overleven.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

De noordelijke Atlantische Oceaan en de aangrenzende ijszeeën, met vier worpgebieden: de Golf van Sint-Laurens, het 'Front' ten oosten van Newfoundland, de Straat Davis en het Westijs bij Jan Mayen, het enige Europese worpgebied. Buiten de worptijd zwerft de soort tot ver in de Groenlandzee en de Noordelijke IJszee. Verder naar het zuiden is hij een dwaalgast: IJsland en Noorwegen leveren de meeste waarnemingen, en langs de kusten van de zuidelijke Noordzee, onder meer op de Waddeneilanden en in Zeeland, spoelen met enige regelmaat jonge dieren aan. Op de Britse Eilanden zijn er enkele waarnemingen, vooral van Shetland, Orkney en de Schotse oostkust, en op het Iberisch Schiereiland enkele strandingen in Galicië en Portugal. Sinds de jaren negentig is het aantal strandingen in Europa toegenomen, met gevallen tot in Frankrijk, Portugal en Spanje; een verklaring daarvoor ontbreekt.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein). Spitsbergen en Bereneiland (Bjørnøya) liggen op 74 tot 81°N en dus boven de bovenrand van het kaartvenster: op de hoofdkaart vallen ze buiten beeld. Voor de dieren van het pakijs is dat juist het gebied waar ze thuishoren, en daarom staan ze als kadertjes in de hoek van de kaart, in dezelfde kleuren als de hoofdkaart. Elk kadertje heeft zijn eigen schaal; ze staan niet op de schaal van de hoofdkaart. Eilandcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Solitair en zwervend, behalve in de drie weken van de worp, wanneer de dieren zich op het ijs concentreren. Het jong wordt eind maart geboren, één per worp, weegt bij de geboorte twintig kilo en drinkt drie tot vijf dagen melk die voor meer dan de helft uit vet bestaat; in die dagen verdubbelt het zijn gewicht, waarna de moeder het verlaat. In die periode verzamelen zich stieren rond het wijfje, die elkaar met de muts en de rode blaas bedreigen en met elkaar vechten; de paring vindt in het water plaats zodra het jong gespeend is. De rui valt in juli, op het ijs ten oosten van Groenland, waar dieren uit alle vier de worpgebieden samenkomen. De levensduur bedraagt vijfentwintig tot vijfendertig jaar.

Waar en wanneer kijken

In Europa is de kans op een waarneming het grootst op het strand: in de late winter en het voorjaar, na een storm uit het noordwesten, langs de vloedlijn van de Noordzee- en Atlantische kusten. Houd afstand en waarschuw de plaatselijke zeehondenopvang of dierenhulpdienst; ook een jonge klapmuts bijt en hoort niet aangeraakt te worden. Op zee is een waarneming vrijwel alleen mogelijk tijdens een expeditievaart in maart in de Groenlandzee of bij Jan Mayen.

Staat van instandhouding

Bedreigd (EN, 2025). De IUCN plaatste de soort in 2025 in deze categorie omdat de Noordoost-Atlantische populatie van het Westijs, bij Jan Mayen, sinds de jaren veertig met ongeveer zeventig procent is afgenomen en zich niet herstelt, hoewel de commerciële jacht daar sinds 2007 stilligt. De oorzaak van het uitblijvende herstel is onbekend; genoemd worden het verdwijnen van drijfijs boven diep water, veranderingen in het voedselaanbod en de nawerking van de jacht op bluebacks. In Canada is de populatie groter en stabieler. De strandingen van jonge dieren in Europa betreffen afgedwaalde, uitgeputte individuen.

Wetenschappelijke naam

Cystophora cristata | (Erxleben, 1777)

Erxleben beschreef de soort in 1777 als Phoca cristata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Cystophora is Grieks, van kystis 'blaas' en pherein 'dragen': de blaasdrager, naar de opblaasbare neuszak van het mannetje. cristata is Latijn voor 'gekuifd', bij crista 'kam, kuif', naar de opblaasbare blaas op de kop van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zuid-Groenland en Newfoundland.