Alle soorten › Roofdieren › Zeehonden › Zadelrob
Zadelrob | Pagophilus groenlandicus
Harp seal | Foca pía
De zadelrob is de talrijkste zeehond van de noordelijke Atlantische Oceaan. Het volwassen dier is zilvergrijs, met een zwarte kop en een zwarte band over rug en flanken die van opzij hoefijzervormig en van boven harpvormig is. Elk voorjaar werpen miljoenen dieren in drie of vier dichte concentraties op het drijfijs, en de witte jongen zijn het symbool geworden van de discussie over de zeehondenjacht.
Sporen
In het grootste deel van Europa wordt de zadelrob vooral als aangespoeld dier gevonden: een jong dier op een strand in de late winter of het vroege voorjaar, aan het eind van een brede sleepsleuf vanaf de vloedlijn. Zulke dieren zijn vaak mager, uitgedroogd en verzwakt en horen niet benaderd te worden. Op het ijs zelf, in het Westijs bij Jan Mayen, laat een worpveld duidelijke sporen na: honderden tot duizenden uitgetrapte, geelbruin verkleurde kommen in de sneeuw, elk met een wak of een barst ernaast, verbonden door een web van sleepsleuven, met daaromheen de plukken witte lanugowol die na het spenen op het ijs achterblijven en met de wind wegwaaien. Het geluid van zo'n veld draagt kilometers ver: een aanhoudend, klaaglijk blaten van jongen door elkaar, waaraan zeehondenjagers een worpveld vroeger in de mist terugvonden. Onder water maken zadelrobben veel geluid, met een repertoire van kwaakjes, trillers en klikken.
Het jong

Herkenning
Een slanke, gestroomlijnde zeehond met een vrij smalle kop en een korte, spitse snuit. Het volwassen dier is met geen andere soort te verwarren: zilvergrijs tot roomwit lichaam, gitzwarte kop tot achter de ogen, en een brede zwarte band die van de schouders over beide flanken naar achteren loopt en van opzij een hoefijzer, van boven een harp of een wishbone vormt. Bij het mannetje is de tekening het scherpst; bij het vrouwtje is ze vaak vager en opgebroken in vlekken. Jonge dieren zijn zilvergrijs met losse donkere vlekken en hebben de band nog niet; de overgang naar het volwassen kleed duurt enkele jaren, en de tussenfasen heten 'beater', 'bedlamer' en 'spotted harp'. De ogen zijn groot en zwart en vallen op tegen de zwarte kop. Het pasgeboren jong is de beroemde whitecoat: geheel wit en wollig, met een zwart neusje en zwarte ogen.
Gelijkende soorten
Een volwassen zadelrob is niet te verwarren. De moeilijkheid ligt bij de jonge dieren, die in West-Europa het vaakst aanspoelen. Een gevlekte jonge zadelrob lijkt op een gewone zeehond, maar is slanker, heeft een kortere en spitsere snuit, grotere en donkerder ogen, en de vlekken zijn groter, scherper begrensd en donkerder dan de fijne stippen van de gewone zeehond; bovendien is de kop meestal al donkerder dan de rest. Van de ringelrob is hij te scheiden doordat die lichte ringen op een donkere rug heeft in plaats van donkere vlekken op een lichte. De jonge klapmuts is in het bluebackstadium tweekleurig met een scherpe scheidingslijn, en later veel groter en zwaarder gebouwd, met een brede gebolde kop. Een whitecoat kan alleen met een jonge grijze zeehond worden verward: die is romiger van kleur, plomper, en ligt op een strand in plaats van op ijs, en zijn snuit is langer en rechter.
Leefgebied
De zadelrob leeft op drijfijs en in open zee. Hij werpt en verhaart op vlak, jong drijfijs boven het continentale plat en trekt de rest van het jaar rond in de open Noord-Atlantische Oceaan en de aangrenzende ijszeeën, met duiken tot honderden meters. Hij eet pooldorsj, lodde, haring, kabeljauwachtigen en garnaalachtige kreeftjes. Als dwaalgast verschijnt hij op zandstranden, in havens en in riviermondingen.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
De zadelrob leeft in de noordelijke Atlantische Oceaan, in drie grote populaties: de westelijke bij Newfoundland en in de Golf van Sint-Laurens, die van het Westijs bij Jan Mayen en Oost-Groenland, en die van het Oostijs in de Witte Zee. Alleen de laatste twee liggen in of bij Europa. Buiten de worptijd zwerven de dieren tot in de Barentszzee en langs de kusten van Spitsbergen, en in sommige jaren trekken grote aantallen ver naar het zuiden. De meeste Europese waarnemingen komen uit IJsland, Noorwegen en Rusland; langs de Noordzeekusten stranden regelmatig jonge dieren, in Nederland onder meer op de Waddeneilanden en de Zeeuwse en Hollandse kust. Op de Britse Eilanden is de soort een schaarse dwaalgast, vooral op Shetland, Orkney en langs de oostkust; op het Iberisch Schiereiland is zij een uitzonderlijke dwaalgast, met zeer weinig waarnemingen in Galicië en langs de Cantabrische kust. In sommige winters, het bekendst 1987 en 1995, verschijnen tientallen dieren tegelijk langs de Noordzeekusten, vermoedelijk door voedselgebrek in het noorden.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Buiten de worptijd legt de zadelrob duizenden kilometers per jaar af, in losse groepen die in het water samen op scholenvis jagen. In februari en maart verzamelen de dieren zich in zeer hoge dichtheden op het ijs. Het jong wordt geboren met een gele lanugovacht die in enkele dagen wit uitbleekt, weegt elf kilo en zoogt twaalf dagen, waarin het zijn gewicht verviervoudigt tot ruim veertig kilo; daarna wordt het verlaten en teert het wekenlang op zijn speklaag terwijl het verhaart en leert zwemmen. De volwassen dieren paren in het water zodra de worp voorbij is en trekken dan noordwaarts om te verharen. De zadelrob wordt ongeveer dertig jaar oud.
Waar en wanneer kijken
In West-Europa wordt de zadelrob vooral op het strand gevonden: in februari en maart, na een noordwesterstorm, langs de vloedlijn. Kenmerkend is een slank, grijs dier met grote zwarte ogen en vlekken die groter en scherper zijn dan bij een gewone zeehond. Afstand houden en een zeehondenopvang waarschuwen is de juiste handelwijze. Op zee zijn de kansen het grootst bij IJsland, in Noord-Noorwegen en bij Spitsbergen, waar zwervende dieren tussen de ijsschotsen liggen. De worpvelden in het Westijs zijn in maart alleen per expeditieschip te bereiken.
Staat van instandhouding
Gevoelig (NT, 2025). De soort telt wereldwijd nog altijd miljoenen dieren en is daarmee de talrijkste zeehond van de noordelijke Atlantische Oceaan; toch bracht de IUCN hem in 2025 naar Gevoelig, omdat zijn hele voortplanting van vlak, jong drijfijs op het juiste moment en de juiste plek afhangt. In ijsarme jaren breekt het worpijs voortijdig en verdrinken hele jaargangen jongen; dat is in de Golf van Sint-Laurens al meermalen gebeurd. De commerciële jacht, die in Canada nog bestaat en in het Westijs vrijwel is gestopt, is niet meer de bepalende factor. In Europa spelen daarnaast de bijvangst in netten en het risico dat de dieren bij een noordwaartse verschuiving van hun voedsel in conflict komen met de visserij.
Wetenschappelijke naam
Pagophilus groenlandicus | (Erxleben, 1777)
Erxleben beschreef de soort in 1777 als Phoca groenlandica; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Pagophilus is Grieks, van pagos 'ijs, vorst' en philos 'liefhebbend': de ijsminnaar, naar de zeehond die op het drijfijs werpt. groenlandicus betekent 'Groenlands', naar de wateren waar de zeehond bij de walvisvaarders het best bekend was. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Groenland en Newfoundland.




