Alle soorten › Roofdieren › Walrussen › Walrus
Walrus | Odobenus rosmarus
Walrus | Morsa
De walrus is veruit het grootste roofdier van Europa: een stier van Spitsbergen weegt anderhalve ton, tien keer zoveel als een ijsbeerwijfje en vijf keer zoveel als een grote grijze zeehond. Hij eet geen vis maar schelpdieren, die hij met zijn snorharen op de zeebodem opspoort, en ligt aan land in dicht opeengepakte groepen waarvan de geur over kilometers waarneembaar is.
Sporen
De walrus laat twee sporen na die geen ander Europees zoogdier maakt. Het eerste ligt op de zeebodem: bij het foerageren wroet hij zich met de snuit door zacht zand en slib en spuit hij met een waterstraal het sediment weg, en wat achterblijft zijn lange, kronkelende voren van vijf tot tien meter, soms twintig meter of meer, en daarnaast groepen ondiepe kuiltjes van minder dan een meter doorsnee, tot vijfendertig per hectare. Op vlakke zandbodems zijn die voren met sonar in kaart te brengen en ze maken de walrus tot een van de dieren die wereldwijd het meeste sediment omwoelen. Het tweede spoor ligt aan land: de ligplaats op een kiezel- of keienstrand, een kale, sterk vertrapte strook waar tientallen tot honderden dieren tegen elkaar aan liggen. Zo'n plek is herkenbaar aan de diep uitgesleten gleuven vanaf de waterlijn, aan de wallen van vergruisde schelpen en botten, aan de zwarte, doorweekte grond en aan de doordringende, scherpe stank, die met de wind mee kilometers ver draagt. Op oude ligplaatsen liggen tussen de keien de gebleekte schedels en slagtanden van dieren die de walvisvaarders er hebben achtergelaten. In de sneeuw en op het ijs trekt hij een sleepbaan van meer dan een meter breed, met aan weerszijden de indrukken van de vinnen en soms de dubbele prikgaten van de slagtanden, waarmee hij zich uit het water op het ijs hijst.
In zijn leefgebied

Herkenning
De walrus heeft een enorm, plooierig, roodbruin tot grijsbruin lichaam met een dikke, gerimpelde huid vol littekens en rozerode plekken, die opkleuren wanneer het dier in de zon ligt en de doorbloeding van de huid toeneemt. De kop is klein voor het lichaam, met een brede, vierkante bovenlip vol dikke, borstelige snorharen — vier- tot zevenhonderd stuks in dertien tot vijftien rijen — en kleine, bloeddoorlopen ogen. Beide geslachten dragen slagtanden, verlengde hoektanden in de bovenkaak, die bij een oude stier een meter lang worden en vijf kilo wegen; bij het wijfje zijn ze slanker, korter en vaak sterker gebogen. Anders dan bij de zeehonden kan hij de achtervinnen onder het lichaam draaien en daarop lopen, zodat hij op het strand hoog op zijn poten staat in plaats van te schuiven. Jonge dieren zijn donker grijsbruin, zonder of met korte tanden.
Gelijkende soorten
Een walrus is in Europa met geen ander dier te verwarren. Ook zonder slagtanden — bij een jong dier of een dier dat ze heeft gebroken — zijn de plooierige huid, het formaat, de vierkante, met snorharen bezette snuit en de manier van lopen kenmerkend. Op grote afstand in het water kan een zwemmende walrus voor een baardrob of een groepje zeehonden worden aangezien, en het silhouet van een liggende hoop kan van ver op rotsen lijken; dan zijn de beweging en de slagtanden beslissend, die op afstand lichte strepen vormen. Een enkele zeeolifant, die als dwaalgast op de Europese kust kan verschijnen, is even zwaar maar heeft geen slagtanden en een gladde, niet geplooide huid, en bij de stier een korte hangsnuit.
Leefgebied
De walrus leeft in ondiepe zee boven zacht sediment, waar zijn schelpdieren voorkomen: hij foerageert vrijwel uitsluitend op bodems ondieper dan tachtig meter en meestal veel ondieper. Daarnaast heeft hij rustplaatsen nodig, bij voorkeur drijfijs, maar in de zomer en de herfst ook keienstranden, kiezelspitsen en lage rotsplateaus. De combinatie van ondiepe bodem en ijs of strand bepaalt waar de soort kan voorkomen. Hij eet vooral tweekleppigen, met name zandgapers en tapijtschelpen, die hij uit de schelp zuigt, en verder wormen, zeekomkommers en krabben; enkele oude stieren specialiseren zich op zeehonden en zeevogels.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
De walrus leeft rond de Noordelijke IJszee, in twee ondersoorten: de Atlantische walrus (rosmarus) van Oost-Canada en Groenland tot Spitsbergen, Frans Jozefland en de Karazee, en de Pacifische walrus (divergens) in de Beringzee. In Europa komt de soort vrijwel alleen voor op Spitsbergen en Bereneiland, ten noorden van 74° noorderbreedte, met bekende ligplaatsen op Moffen, Prins Karls Forland, Torellneset en Nordaustlandet. Verder zuidelijk verschijnt zij langs de Noord-Noorse kust en als dwaalgast: in Groot-Brittannië, Nederland, Denemarken en Zweden zijn losse zwervende dieren waargenomen, soms jonge stieren die dagen in een haven verblijven.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
De walrus is sterk sociaal: buiten de paartijd liggen de dieren in gescheiden groepen van wijfjes met jongen en van stieren, en op de ligplaats liggen ze letterlijk over elkaar heen. Hij foerageert overdag en 's nachts in duiken van vijf tot tien minuten, waarbij hij met de snorharen de bodem aftast en per duik tientallen schelpen leegzuigt; een volwassen dier eet er duizenden per dag. In de winter, van januari tot maart, paren de dieren in het water bij de ijsrand, waarbij de stieren onder water een reeks klokkende en bel-achtige geluiden maken die uren aan een stuk doorgaan. Het jong wordt na een draagtijd van vijftien maanden geboren, meestal in april of mei, en blijft twee tot drie jaar bij de moeder; ze rijdt het op haar rug door het water en verdedigt het fel. Wijfjes krijgen daardoor hoogstens om de twee tot drie jaar een jong, wat elke populatie traag laat herstellen. De walrus kan veertig jaar of ouder worden.
Waar en wanneer kijken
Spitsbergen is van juni tot september per expeditieschip te bezoeken: de ligplaatsen op Moffen (waar een naderingsverbod van driehonderd meter geldt), Torellneset, Poolepynten op Prins Karls Forland en Smeerenburg zijn de bekendste plekken, en de dieren zijn er ongestoord en op afstand goed waar te nemen. De voorgeschreven afstand is noodzakelijk: bij verstoring vlucht een ligplaats massaal de zee in en worden jongen doodgedrukt. Zwemmende dieren volgen vaak uit nieuwsgierigheid een rubberboot en komen dan uit zichzelf dichtbij; dan zijn kop en snorharen het best te zien. Elders in Europa is een walrus een toevalstreffer; een zwervend dier blijft doorgaans enkele dagen in dezelfde haven.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar (VU, 2016). De Atlantische walrus is drieënhalve eeuw commercieel bejaagd: op Spitsbergen werd hij vanaf het begin van de zeventiende eeuw om zijn traan, huid en ivoor op grote schaal gedood, en toen hij er in 1952 werd beschermd waren er waarschijnlijk nog maar een paar honderd over. Sindsdien groeit de populatie gestaag: een telling in 2006 kwam op ongeveer 2500 dieren in Svalbard, en latere tellingen liggen hoger. De zorgen liggen nu bij het zee-ijs — verdwijnt het drijfijs boven de ondiepe banken, dan moeten wijfjes met jongen naar landligplaatsen, die verder van het voedsel liggen en waar de dieren elkaar bij paniek doodtrappen — en bij de toenemende scheepvaart, het toerisme en de olie- en gaswinning in de Barentszzee. In Groenland en Rusland bestaat een beperkte inheemse jacht.
Wetenschappelijke naam
Odobenus rosmarus | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Phoca Rosmarus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Odobenus is Grieks, van odous, genitief odontos, 'tand', en bainein 'gaan': de tandloper, naar de walrus die zich met zijn slagtanden op het ijs hijst. rosmarus is de Scandinavische naam van de walrus, het Oudnoorse rosmhvalr, die via Olaus Magnus' ros marus in de wetenschap terechtkwam; de verdere herkomst van rosm- is onzeker.






