Alle soorten › Insecteneters › Spitsmuizen › Tuinspitsmuis
Tuinspitsmuis | Crocidura suaveolens
Lesser white-toothed shrew | Musaraña de Campo
De tuinspitsmuis is een witgetande spitsmuis waarvan het areaal in de huidige indeling veel kleiner is dan vroeger. De naam stond een eeuw lang op alle kleine witgetande spitsmuizen van Portugal tot Mongolië; sinds de Mammal Diversity Database er Crocidura gueldenstaedtii, C. fimbriata, C. iculisma en C. cypria van heeft afgesplitst, omvat de soort alleen de dieren van de oostelijke steppe: Oekraïne, Zuid-Rusland en Centraal-Azië. Witgetande spitsmuizen uit West- en Zuid-Europa behoren daarom niet tot deze soort.
Sporen
De sporen zijn die van het geslacht, met één afwijkend kenmerk. Het nest wordt vaak gebouwd onder aangespoeld hout of plantenresten langs het water, in hooibergen en op vergelijkbare plekken, en is een bolvormig nest van fijn materiaal, geen holletje. In de halfwoestijnen van Centraal-Azië graaft de soort bovendien zelf: een gang van ongeveer één centimeter doorsnede loopt drie tot drieënhalve meter verticaal omlaag en eindigt in een nestkamer van achttien tot twintig centimeter. Dat is voor een spitsmuis ongebruikelijk en het is het duidelijkste spoor van de soort. Verder: keutels van twee tot vier millimeter, donker en glanzend door chitineresten, op vaste plekken onder planken en stenen; looppaadjes van een halve tot anderhalve centimeter breed door strooisel en onder de zode; hoge, schelle piepjes bij conflicten. In de herfst neemt het aantal dieren in schuren, woonhuizen, hooibergen en opslagplaatsen elk jaar toe; dat is geen echte trek maar een verplaatsing, en het is de beste periode om de soort in gebouwen aan te treffen.
Herkenning
Klein tot middelgroot en licht gebouwd, met alle kenmerken van het geslacht: witte tanden zonder roodbruine punten, een spitse, beweeglijke snuit, zeer kleine ogen, oren die boven de vacht uitsteken en een staart met lange, afstaande tastharen. De vacht is tweekleurig zonder scherpe grens: de rug varieert van bruingrijs tot lichtgrijs bij steppedieren, de buik van lichtgrijs tot wit. In de winter wordt de rug bruiner, de buik lichter en het contrast tussen beide groter; bij weinig spitsmuizen is het seizoen zo duidelijk aan de vacht te zien. De staart is zelden langer dan de helft van de kop-romplengte en meestal tweekleurig, soms egaal donkergrijs of bruingrijs. Kop-romplengte 4,7 tot 8,0 cm, staart 2,5 tot 4,0 cm, gewicht 6,5 tot 9,4 gram; halfwas dieren wegen 4,6 tot 5 gram.
Gelijkende soorten
Binnen het huidige areaal is de soort in het veld niet betrouwbaar van haar naaste verwanten te onderscheiden. Waar zij samen voorkomt met Crocidura gueldenstaedtii, in de Kaukasus en langs de noordrand daarvan, is het enige verschil dat die soort gemiddeld groter is en een langere staart heeft, 65 tot 90 procent van de kop-romplengte tegen minder dan de helft bij deze soort; bij een enkel dier is dat geen bewijs. Met Crocidura fimbriata, waarvan het areaal in West-Oekraïne begint, ontbreekt ook dat verschil: de twee zijn alleen op DNA en vindplaats te scheiden, en langs de grens tussen beide is geen van de twee namen met zekerheid toe te kennen. Verder oostwaarts leven C. sibirica en C. caspica, die genetisch dicht bij deze soort staan maar morfologisch wel verschillen. De veldspitsmuis (Crocidura leucodon), die in het westelijke deel van dit gebied ook voorkomt, is wel te herkennen: zwaarder gebouwd en met een scherpe grens tussen donkere rug en witte buik. De bosspitsmuizen (Sorex) hebben roodbruine tandpunten en oren die in de vacht verzonken zijn. In het veld is dus vast te stellen of het om een veldspitsmuis gaat, maar niet welke kleine witgetande spitsmuis het is.
Leefgebied
Van woestijn tot bos, mits er dekking is. De soort zoekt struiken of hoge, blijvende grasvegetatie, bij voorkeur langs water, en de ruigte van verlaten erven en akkers; verder oevers en rivierbossen, steppe met struweel en de halfwoestijn waar zij zelf graaft. Zij wordt opvallend vaak binnenshuis gevonden: van joerten in de Gobi en boerenhuizen in Europees Rusland tot in de Tiensjan, en zelfs in flatgebouwen in Moskou. In de Pamir komt zij tot 3600 meter voor. De soort is niet aan een bepaald landschapstype gebonden, wel aan een dichte vegetatielaag waarin zij onopgemerkt kan lopen.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Zuid-Wit-Rusland, midden- en oostelijk Oekraïne, Moldavië en Europees Rusland tot de noordelijke Kaukasus en oostwaarts tot de zuidelijke Oeral; verder Kazachstan, Oezbekistan, Turkmenistan, Kirgizië, zuidwestelijk Tadzjikistan, Noord-Iran, waarschijnlijk Noord-Afghanistan, Mongolië en Noordwest-China. In Europa gaat het vooral om de Oekraïense en Zuid-Russische steppe met de Krim en de noordelijke Kaukasus. Bij het controleren van waarnemingen geldt: alles wat vóór ongeveer 2018 uit Duitsland, Frankrijk, Iberië, Italië, de Balkan of de mediterrane eilanden onder de naam Crocidura suaveolens is gemeld, behoort in de huidige indeling tot C. fimbriata, C. iculisma, C. gueldenstaedtii of C. cypria. Ook de spitsmuizen van de Scilly-eilanden, de Kanaaleilanden en het Iberisch Schiereiland, die lang onder deze naam bekend waren, worden nu tot C. iculisma gerekend. Uit West-Europa, waaronder de Britse Eilanden en de Lage Landen, zijn geen populaties van deze soort bekend.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Hoofdzakelijk nachtactief. In Turkmenistan zijn per donkere periode tien tot veertien activiteitsfasen geteld, gemiddeld vierentwintig minuten en maximaal tweeënhalf uur lang. Het voedsel bestaat vooral uit kleine kevers, rupsen, jonge wantsen, bidsprinkhanen en kakkerlakken; zwartlijven en meikevers worden niet gegeten. De soort graaft insecten tot twee centimeter diep uit de grond en springt naar spanrupsen op grassprieten. In gevangenschap doodt zij bij overvloedig voedsel zoveel prooi als mogelijk en legt de rest opzij, een vorm van voorraadvorming die bij spitsmuizen zeldzaam is. De dagelijkse voedselopname bedraagt tot 133 procent van het lichaamsgewicht; in Turkmenistan is drie keer het lichaamsgewicht gemeten. Het voortplantingsseizoen kan zeven tot acht maanden duren: vanaf begin februari in de ooibossen van Zuid-Tadzjikistan, van half maart tot eind september in de Noord-Kaukasus en pas vanaf eind maart in de Pamir. De draagtijd is 24 tot 32 dagen, met gemiddeld vier tot vijfenhalf embryo's en uitschieters van één tot tien. Er is geen winterslaap; het krimpen van de schedel dat bij bosspitsmuizen als fenomeen van Dehnel bekendstaat, is bij witgetande spitsmuizen niet vastgesteld; dit geslacht bespaart energie met korte torpor en gedeelde nesten. Een populatie is binnen anderhalf jaar volledig vernieuwd.
Waar en wanneer kijken
De grootste kans op een waarneming van een levend dier is in de herfst en winter in schuren, hooibergen en opslagloodsen in de steppezone, waar de dieren zich verzamelen en 's nachts hoorbaar met elkaar in conflict komen. Buiten zijn oeverzones met dichte ruigte of verlaten erven geschikt, met een zaklamp na zonsondergang. De betrouwbaarste methode blijft het onderzoeken van braakballen van kerkuil, steenuil of ransuil. Nabij de grens met Crocidura fimbriata of C. gueldenstaedtii levert ook een goede waarneming geen soortnaam op; noteer dan 'witgetande spitsmuis, kleine soort' en leg de precieze vindplaats vast.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2016). De soort is over een zeer groot areaal verspreid, maar bijna nergens talrijk: algemeen in veel gebieden, abundant in vrijwel geen. In het noorden van het areaal, de bosgordel van Europees Rusland, is zij zeldzaam; zij staat op de regionale Rode Lijsten van Mordovië, Tsjoevasjië en de oblast Kaloega. Een beperking van de beoordeling is de indeling zelf: de IUCN-beoordeling van 2016 betrof nog de soort in ruime zin, dus het hele gebied van Portugal tot Mongolië, terwijl de naam nu slechts een deel daarvan dekt. De categorie zegt daardoor weinig over de dieren die er nu onder vallen; hetzelfde geldt voor de verspreidingskaarten die op die oude opvatting berusten. Een nieuwe beoordeling in strikte zin, met bijbehorende kaarten en dichtheidsgegevens, ontbreekt nog voor deze soort en de vier afgesplitste soorten.
Wetenschappelijke naam
Crocidura suaveolens | (Pallas, 1811)
Pallas beschreef de soort in 1811 als Sorex suaveolens; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Crocidura is Grieks, van krokys, genitief krokydos, 'wolvlok, pluis', en oura 'staart', naar de lange losse haren die tussen het korte staarthaar uitsteken. suaveolens is Latijn voor 'aangenaam ruikend', van suavis 'zoet, aangenaam' en olere 'ruiken', naar de sterke muskusgeur van de flankklieren. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Rusland.






