Alle soorten › Insecteneters › Spitsmuizen › Siciliaanse spitsmuis
Siciliaanse spitsmuis | Crocidura sicula
Sicilian Shrew | Musaraña De Sicilia
De Siciliaanse spitsmuis is een witsnuitspitsmuis van Sicilië, Gozo en enkele kleinere eilanden. De soort is oorspronkelijk onderscheiden op grond van haar chromosomen: Siciliaanse dieren hebben er zesendertig, een aantal dat afwijkt van dat van de soorten op het Italiaanse vasteland. Moleculair onderzoek plaatst de oorsprong van de soort in Noord-Afrika; de naaste verwanten leven op de Canarische Eilanden en aan de Marokkaanse Saharakust.
Sporen
Specifiek voor deze soort zijn geen sporen beschreven; het volgende geldt voor het geslacht. De keutel is twee tot vier millimeter lang, donker, spits en glanzend door chitineresten, en ligt verscholen onder een steen, een dakpan of een plank; op Sicilië is de voet van een oud terrasmuurtje de eerste plek om te zoeken. De gangetjes zijn een halve tot anderhalve centimeter breed en lopen door de strooisellaag, onder dood hout en tussen stenen; kleine ronde openingen aan de voet van een muur horen erbij. Een prent van nauwelijks een centimeter, met vijf tenen aan voor- en achtervoet, blijft alleen in zeer fijn, vochtig slib achter. Het geluid is hoog, schel en snel herhaald, aan de bovengrens van wat een volwassen gehoor waarneemt. De rijkste bron van gegevens is de braakbal: het voorkomen van de Gozo-ondersoort op Comino berust uitsluitend op braakballen van de ransuil, en op Sicilië is het uitpluizen van kerkuilballen de goedkoopste methode om de verspreiding aan te vullen.
Herkenning
Een middelgrote witsnuitspitsmuis met zuiver witte tanden, een spitse, beweeglijke snuit, zeer kleine ogen, oren die boven de vacht uitsteken en een staart met lange afstaande tasthaartjes. De rug is grijsbruin, de buik witgrijs tot wit, en op de flank ligt tussen beide een duidelijke scheidingslijn; dat is ongewoon voor het geslacht, maar omdat er op de eilanden geen andere Crocidura voorkomt, is het voor de determinatie zonder betekenis. De staart is duidelijk tweekleurig en heeft meestal een witte punt; voor- en achtervoeten zijn witachtig, op Gozo helder wit. Jonge dieren zijn contrastrijker dan oude. Kop-romplengte 5,0 tot 7,9 cm, staart 2,8 tot 4,5 cm, oor 6 tot 10,5 mm, gewicht 4 tot 10,5 gram; de dieren van de Egadische Eilanden en van Gozo zijn kleiner dan die van Sicilië. De populatie van Ustica is melanistisch, donker grijsbruin tot grijszwart en zonder witte staartpunt, mogelijk een aanpassing aan het zwarte vulkanische gesteente van dat eiland.
Gelijkende soorten
Binnen het areaal is elke spitsmuis van het geslacht Crocidura op Sicilië, Ustica, de Egadi en Gozo deze soort. Er is geen tweede Crocidura en er zijn geen Sorex-soorten; de enige andere spitsmuis is de wimperspitsmuis (Suncus etruscus), die met ongeveer twee gram, een naar verhouding langere staart en een veel kleinere kop direct te onderscheiden is. Op het Italiaanse vasteland en op Sardinië leven soorten die er in de hand op lijken: de huisspitsmuis, Crocidura pachyura en C. fimbriata. Daar gebeurt de scheiding op vindplaats en niet op uiterlijk; geen van deze drie is op Sicilië aangetoond. De scherpe flanklijn is geen determinatiekenmerk: de veldspitsmuis heeft die ook, en komt op de eilanden niet voor. Om deze soort van een aangevoerd dier van het vasteland te onderscheiden, is laboratoriumonderzoek nodig: het karyotype van 2n = 36 is beslissend, en daarnaast de vorm van de tandenrij, waarin de punten van de tweede en derde bovenste eenpuntige kies in lijn liggen met de punt van de massieve, rechthoekige parastyl.
Leefgebied
Weinig specifiek, van zeeniveau tot ongeveer duizend meter: open bos, maquis en garrigue, randen van landbouwgrond, olijf- en citrusboomgaarden, tuinen en de randen van dorpen en steden. De beperkende factor is vocht: in de zomer trekt de soort naar de vochtigste plekken, zoals beekdalen, bronnen, geïrrigeerde percelen en noordhellingen met een dikke strooisellaag. Oude terrassen met droge stenen muurtjes bieden dekking, warmte en insecten.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Sicilië en het eiland Ustica, de Egadische Eilanden (Favignana, Levanzo en Marettimo) en in de Maltese archipel Gozo en waarschijnlijk Comino. Op het hoofdeiland Malta kwam de soort ook voor, maar daar is ze vrijwel zeker uitgestorven. Buiten deze eilanden komt ze niet voor. Moleculair onderzoek plaatst de oorsprong van de soort in Noord-Afrika en maakt haar de zustersoort van het paar Crocidura canariensis van de Canarische Eilanden en C. tarfayensis van de Marokkaanse kust, en niet van de Europese soorten. Op Sicilië en Malta leefde in het Midden-Pleistoceen een grotere vorm, C. s. esuae, die is uitgestorven en mogelijk de directe voorouder van de huidige dieren was.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Bodembewoner, zowel 's nachts als overdag actief, met de nadruk op de donkere uren. De soort kan in torpor gaan, een korte, ondiepe verlaging van lichaamstemperatuur en stofwisseling, wat in verband wordt gebracht met de droge, voedselarme zomers op de eilanden. Een winterslaap houdt ze niet, en het krimpen van de schedel in de winter dat bij de bosspitsmuizen (Sorex) als het Dehnel-fenomeen bekendstaat, is bij de witsnuitspitsmuizen niet vastgesteld. Het voedsel bestaat uit ongewervelden: vooral rupsen en kevers, verder duizendpoten, regenwormen en slakken. Een worp telt drie tot negen jongen; in het wild is de levensduur twaalf tot achttien maanden. De aantallen volgen een seizoenspatroon dat tegengesteld is aan dat van de meeste Europese kleine zoogdieren: laag van mei tot september en hoog in de winter. Dit hangt samen met het mediterrane klimaat, waarin de zomer droog en voedselarm is en de winter nat.
Waar en wanneer kijken
De beste periode is november tot maart, wanneer de aantallen het hoogst zijn en de bodem vochtig genoeg is om de dieren aan de oppervlakte te houden. Zoek langs oude terrasmuurtjes in de Siciliaanse heuvels, in citrus- en olijfgaarden en langs beken, en loop na zonsondergang met een zaklamp over een pad met strooisel; het hoge gepiep is vaak eerder te horen dan beweging te zien is. Op Gozo behoort elke Crocidura tot de ondersoort calypso; op Ustica gaat het om een foto van een donker dier zonder witte staartpunt. De betrouwbaarste methode blijft het uitpluizen van braakballen: kerkuilen broeden op Sicilië in kerken, ruïnes en pompgebouwen, en één avond uitpluizen levert meer verspreidingsgegevens op dan een week veldwerk. Ook prooien die katten op de kleine eilanden binnenbrengen, leveren vaak het eerste bewijs dat de soort er nog voorkomt.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2016). De soort is over heel Sicilië verspreid, maar in veel lagere dichtheden dan de Crocidura-soorten van andere mediterrane eilanden; dat is het enige vaststaande gegeven over haar aantallen, en de trend is onbekend. Op het hoofdeiland Malta is ze vrijwel zeker verdwenen, waardoor de ondersoort calypso van Gozo een populatie van één klein eiland is; deze is beschermd onder Maltees en Europees recht. Als bedreigingen gelden bestrijdingsmiddelen in het landbouwgebied en op de kleine eilanden verwilderde en huiskatten, die op een eiland van enkele vierkante kilometers een geïsoleerde populatie sterk kunnen verkleinen. De soort staat in Bijlage III van het Verdrag van Bern; verdere maatregelen zijn er niet. Er ontbreken gegevens over aantallen, trend en de verspreiding op de kleine eilanden, zodat een verdwijning zoals op Malta onopgemerkt kan blijven.
Wetenschappelijke naam
Crocidura sicula | G. S. Miller, 1901
G. S. Miller beschreef de soort in 1901 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Crocidura is Grieks, van krokys, genitief krokydos, 'wolvlok, pluis', en oura 'staart', naar de lange losse haren die tussen het korte staarthaar uitsteken. sicula is Latijn voor 'Siciliaans', naar het eiland waar Miller het dier vandaan beschreef. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Italië, Sicilië.






