Werner VorstmanInstrumenten om de Schrift nauwkeurig te lezen
israëlgrondtekstuitgewerkt voorbeeld

Hoe God een weggestuurd volk terugneemt

Een gangbare redenering maakt van Golgotha het juridische mechanisme dat het verbod van Deuteronomium 24 opheft. Bij toetsing aan de grondtekst houdt zij op vier punten geen stand — en Jeremia stelt de vraag zelf, eeuwen eerder, en beantwoordt haar ook.

Er is een redenering over Israël die je in preken, op conferenties en in populaire studieboeken tegenkomt, en ze is indrukwekkend gebouwd. Ze gaat zo. De Thora verbiedt een man zijn weggestuurde vrouw terug te nemen. God heeft Israël weggestuurd — Jeremia zegt dat met zoveel woorden. Dus kan God Israël niet terugnemen zonder zijn eigen wet te breken, tenzij er iets gebeurt dat het beletsel opheft. Dat iets is de dood van Christus: de goddelijke Echtgenoot sterft, de band vervalt, en de weg terug ligt open. Golgotha wordt zo het juridische mechanisme achter het herstel van Israël.

De redenering bindt de wet, de profeten en het kruis in één greep bij elkaar. Ze is ook controleerbaar, en dat is wat hier gebeurt. De Bijbelteksten citeer ik uit de Herziene Statenvertaling.

Wat er staat

“Maar Ik zag, toen Ik vanwege alles waarin het afvallige Israël overspel had gepleegd, haar weggestuurd had en haar een echtscheidingsbrief gegeven had, dat Juda, haar trouweloze zuster, niet bevreesd werd” (Jeremia 3:8, HSV).

Let op de reikwijdte. De brief geldt het noordelijke koninkrijk. Juda krijgt er geen; van Juda wordt gezegd dat zij zich aan het voorbeeld niets gelegen liet liggen. Het onderscheid loopt door de hele geschiedenis heen: Juda wordt getuchtigd en keert terug, Israël is weggestuurd en verdwijnt onder de volken.

Jesaja 50:1 wordt vaak als tweede getuige aangevoerd, en dat vraagt om zorgvuldigheid. “Waar is de echtscheidingsbrief van uw moeder waarmee Ik haar weggezonden heb? Of wie van Mijn schuldeisers is het aan wie Ik u verkocht heb?” Dat is een retorische vraag, en het verwachte antwoord is: die brief is er niet, en die schuldeiser is er niet. Het vers bevestigt de scheiding dus niet — het wijst haar af als verklaring en legt de oorzaak bij de ongerechtigheden van het volk zelf. Wie het toch als steunbewijs gebruikt, laat de tekst het tegenovergestelde zeggen van wat er staat.

Vier plaatsen waar de redenering breekt

Het beletsel ontstaat door het tweede huwelijk, niet door de scheiding. De onreinheid van Deuteronomium 24:4 komt uitsluitend voort uit vers 2: וְהָלְכָה וְהָיְתָה לְאִישׁ־אַחֵר — “en zij gaat heen en wordt de vrouw van een andere man“. Zonder dat tweede, wettige huwelijk is er geen beletsel. Het werkwoord in vers 4 staat bovendien in een passieve stam, הֻטַּמָּאָה: zij is onrein geworden, het is haar overkomen. De Septuaginta bevestigt dat met μετὰ τὸ μιανθῆναι αὐτήν. Wie de wet op Israël wil toepassen, moet dus kunnen aanwijzen wie die tweede man is. Afgoderij heet in de profeten consequent hoererij en overspel — niet een rechtsgeldig tweede huwelijk. Of aan de voorwaarde van vers 2 überhaupt is voldaan, staat daarmee niet vast.

De wet kent geen opheffing door de dood van de eerste man. Deuteronomium 24 regelt precies het omgekeerde geval: de eerste man mag haar niet terugnemen nadat de tweede haar heeft weggestuurd óf is gestorven. Over de dood van de eerste man zegt de tekst niets — die zou het probleem ook niet oplossen maar laten vervallen, want een dode hertrouwt niet. De gedachte dat de dood van de man de band ontbindt, komt niet uit Deuteronomium 24 maar uit Romeinen 7:2-3. Dat zijn twee verschillende juridische figuren, en in de gangbare redenering schuiven ze stilzwijgend in elkaar.

Paulus past zijn eigen beeld omgekeerd toe. In het beeld van Romeinen 7 sterft de man; in de toepassing sterft de gelovige. “Zo, mijn broeders, bent u ook door het lichaam van Christus gedood met betrekking tot de wet, opdat u aan een Ander zou toebehoren” (7:4, HSV). Paulus zegt niet dat de Echtgenoot is gestorven zodat de vrouw vrij is, maar dat de vrouw met Christus is gestorven zodat zij aan Hem kan toebehoren. Wie het beeld op de eerste manier gebruikt, gebruikt het tegen de toepassing in die Paulus er zelf aan geeft.

Jeremia stelt de vraag zelf. Dat is beslissend. Het derde hoofdstuk opent met een onmiskenbare verwijzing naar de wet: “Als een man zijn vrouw wegstuurt, zij bij hem weggaat en de vrouw van een andere man wordt, mag hij nog naar haar terugkeren?” (Jeremia 3:1, HSV). Het probleem is dus niet door latere uitleggers ontdekt; de profeet legt het zelf op tafel. En hij laat het niet onbeantwoord. Enkele verzen verder roept God dezelfde weggestuurde vrouw terug: “Keer terug, afvallig Israël, spreekt de HEERE, Mijn aangezicht is tegenover u niet betrokken, want Ik ben goedertieren” (3:12), en met een woord dat alles zegt: “Keer terug, afkerige kinderen, spreekt de HEERE, want Ík heb u getrouwd” (3:14, HSV). Dat staat in de tegenwoordige tijd, eeuwen vóór Golgotha, gericht aan het volk dat de brief heeft gekregen.

Hosea zegt hetzelfde met andere beelden. De ontrouwe vrouw komt tot inkeer (2:6), en het hoofdstuk loopt uit op “Ik zal u voor eeuwig tot Mijn bruid nemen” (2:18, HSV). In Hosea 3 koopt de profeet zijn vrouw zelfs terug: in zijn eigen persoon doet hij precies wat Deuteronomium 24 verbiedt, en dat is geen overtreding maar het profetische teken zelf.

Wat er dan overblijft

Naar mijn overtuiging niet minder, maar meer. De Schrift verzwijgt de wettelijke moeilijkheid niet en lost haar ook niet op met een constructie. Zij stelt de vraag hardop en beantwoordt haar met een beroep op wie God is: “Ik ben goedertieren“, חָסִיד. De terugkeer van Israël is dus geen juridische uitkomst maar een daad van genade die het recht te boven gaat — precies zoals de wet de scheiding wél regelt en de hereniging nergens belooft. Golgotha is in die lijn niet het weghalen van een obstakel, maar de plaats waar die genade wordt bekostigd.

Dat is een steviger fundament dan een sluitende juridische redenering. Een juridische redenering staat of valt met de vraag of de analogie op elk punt opgaat. De trouw van God staat of valt daar niet mee.

Wat hiermee niet beslist is

Drie dingen, en het eerste raakt mijn eigen uitgangspunt.

Paulus past Hosea toe op de heidenen. In Romeinen 9:25-26 citeert hij juist de formule uit Hosea 1 — οὐ λαός μου, “niet Mijn volk” — en betrekt haar op gelovigen uit de volken. Wie, zoals ik, betoogt dat de weggestuurde partij en de herstelde partij dezelfde zijn, moet verklaren waarom Paulus dezelfde woorden breder inzet. Mijn antwoord is dat hij in Romeinen 11 onmiskenbaar over etnisch Israël spreekt — hij noemt zichzelf als bewijs (11:1) — en dat het ene gebruik het andere niet uitsluit. Maar dit is de sterkste nieuwtestamentische tegenwerping, en zij hoort niet in een voetnoot.

Beelden bewijzen niets; ze verhelderen. Zodra je een beeld juridisch gaat uitrekenen — wie is de eerste man, wie de tweede, wanneer treedt welke bepaling in werking — vraag je er meer van dan een beeld dragen kan. Daarop strandde de redenering hierboven, en het is een waarschuwing die ook mijn eigen alternatief treft.

De gereformeerde lezing is geen slordige lezing. Zij betoogt dat de beloften aan Israël in Christus zijn vervuld en dat de kerk het Israël van God is (Galaten 6:16). Dat is een doordachte positie, verdedigd door serieuze exegeten. Wie het er niet mee eens is, hoort hun beste argument weer te geven en niet hun zwakste.

Het volledige artikel

Deze vraag is één sectie uit een langer stuk dat de rol van Israël door de hele boog van het verhaal volgt: de verkiezing van Abraham, het verbond bij de Sinaï, de splitsing na Salomo, het Nieuwe Verbond, de vervangingsleer, het herstel van 1948, de voorzegde oorlogen van Psalm 83, Ezechiël 38-39 en Zacharia 12-14, en de roeping van Israël als licht voor de volken. Daar staan ook de plaatsen in waar een gangbare bewering het niet houdt — de gelijkstelling van רֹאשׁ in Ezechiël 38:2 met Rusland, de veronderstelde breuklijn door de Olijfberg, de “Psalm 83-oorlog” — met noten en bibliografie.

Lees het volledige artikel (PDF, met noten en bibliografie) →