Alle soorten › Anjerachtigen › Bekerplantfamilie › Nepenthes macfarlanei
Nepenthes macfarlanei
De kannenplant met de harige deksel. Waar bij bijna alle soorten van het geslacht de onderkant van het deksel kaal is, op de nectarklieren na, is die bij Nepenthes macfarlanei dicht bedekt met korte witte haren, als een laagje vilt. Waarvoor dat dient, weet niemand. De soort werd in 1905 door de Britse botanicus William Hemsley beschreven en genoemd naar John Muirhead Macfarlane, de Schots-Amerikaanse plantkundige die een paar jaar later de eerste grote monografie van het geslacht schreef. Het is een plant van de hoge, koele bergbossen van het Maleisisch schiereiland, en een van de bekendste kannenplanten van de Maleisische hooglandoorden.


Herkenning
De onderbekers zijn fors en buikig, tot 25 cm hoog, in de onderste helft eivormig of trechtervormig en daarboven bolvormig of cilindrisch, met twee gefranjerde vleugels aan de voorzijde. Ze zijn rood gespikkeld op een lichtere ondergrond, vaak in opvallende tinten. De bovenbekers zijn lichter van kleur, en hun vleugels zijn tot richels teruggebracht. Het beste kenmerk, en in het schiereiland een uniek kenmerk, is de onderkant van het deksel: die is dicht bedekt met korte witte haren, zodat het deksel van onderen wit of zilverig oogt. Nauwkeurige maten van bladeren en stengel zijn voor deze gids niet uit een toetsbare bron beschikbaar; het veld voor plantgrootte blijft daarom leeg.
Gelijkende soorten
In hetzelfde bergland groeien Nepenthes sanguinea, Nepenthes ramispina en Nepenthes gracillima, en waar ze samen voorkomen, ontstaan hybriden. Nepenthes sanguinea heeft vaak nog forsere, effen rode of groene bekers, maar een kale onderkant van het deksel. Nepenthes ramispina en Nepenthes gracillima hebben veel slankere, cilindrische bekers met een smal peristoom. Wie twijfelt, kijkt onder het deksel: de witte haarbekleding is voor macfarlanei doorslaggevend, al kunnen hybriden dat kenmerk ten dele overnemen. Opvallend is ook dat de soort in hetzelfde bergland met twee heel verschillende soorten kruist, wat erop zou kunnen wijzen dat de bestuivers van deze kannenplanten, vooral kleine vliegen en andere insecten, weinig kieskeurig zijn tussen de soorten.
De val en hoe hij werkt
Een valkuil met een raadsel. De onderbekers staan op de grond of in het mos en zijn buikig en ruim, met veel vloeistof; de gefranjerde vleugels leiden kruipend gedierte naar de mond. De bovenbekers hangen hoger. De witte haren onder het deksel zijn het intrigerende deel: bij andere soorten ligt daar een zone met nectarklieren die insecten lokt, en het is onduidelijk of de haren het lokken versterken, de klieren beschermen, of iets heel anders doen. De verteringsvloeistof van deze soort is al in 1974 onderzocht op enzymen, en er zijn studies gedaan naar de bloei, de bloembiologie en de bestuiving; die behoren tot de vroegste ecologische onderzoeken aan een kannenplant van het schiereiland.
Standplaats en ecologie
Hoog bemost bergbos op de bergen van het schiereiland (B1): een koel, doorlopend vochtig milieu met veel mos, varens en mist. De planten groeien er tussen het mos op de bosbodem en langs kammen en bosranden, waar genoeg licht doordringt. Een betrouwbaar hoogtebereik is voor deze gids niet uit een toetsbare bron gehaald, zodat het hoogteveld leeg blijft; de soort hoort in elk geval bij de hogere bergzones.
Verspreiding en hoogte
Endemisch op het Maleisisch schiereiland. De soort is bekend van meerdere bergen, waaronder Gunung Tahan en de bergen rond de Genting Highlands op het hoofdgebergte. Binnen dat berggebied is ze op geschikte hoogten niet zeldzaam. Ons eigen overzicht noemt het schiereiland, wat met de literatuur overeenstemt. De hooglandoorden van het schiereiland, zoals de Genting Highlands en de Cameron Highlands, werden in de koloniale tijd aangelegd als koele toevluchtsoorden, en de wegen erheen hebben het bemoste bergbos voor botanici en bezoekers ontsloten. Veel van wat over de kannenplanten van het schiereiland bekend is, komt uit die goed bereikbare gebieden.
- Waargenomen (hokken van een graad)
Vormen en variatie
Er zijn geen variëteiten erkend. De kleur van de onderbekers varieert van groengeel tot diep rood gespikkeld. In het wild zijn hybriden bekend met Nepenthes ramispina en met Nepenthes sanguinea; waar meerdere soorten door elkaar groeien, kunnen tussenvormen de determinatie bemoeilijken. Planten met handelsnamen horen niet in dit overzicht.
Waar en wanneer te zien
De hooglandoorden van het hoofdgebergte, met aangelegde paden door bemost bergbos, zijn de plek om deze soort te zien. Kijk laag, tussen het mos langs het pad: de rood gespikkelde, buikige onderbekers liggen vaak half verscholen. Als je een beker vindt, buig dan voorzichtig om het deksel van onderen te bekijken zonder het aan te raken; de witte vilt is met het blote oog duidelijk. Kom vroeg op de dag, voordat de middagwolken het bos in mist hullen.
Staat van instandhouding
Op de Rode Lijst staat de soort als niet in gevaar (Least Concern). Ze is op meerdere bergen van het schiereiland aanwezig, deels in beschermde gebieden. De hoogste bergzones van het schiereiland zijn echter klein en staan onder druk van de uitbreiding van hooglandoorden en landbouw, en op lange termijn van klimaatverandering. Als lid van het geslacht Nepenthes staat de soort in CITES bijlage II, zodat internationale handel in wilde planten een vergunning vereist.
Wetenschappelijke naam
Nepenthes macfarlanei | Hemsley, 1905
Nepenthes macfarlanei werd in 1905 beschreven door William Botting Hemsley. De precieze typelocatie kon niet met zekerheid worden achterhaald; de soort is endemisch voor schiereiland Maleisië. De soort is vernoemd naar de botanicus John Muirhead Macfarlane, die zelf later (1908) diverse andere Nepenthes-soorten beschreef, waaronder N. hemsleyana, N. deaniana en N. insignis.
World Checklist of Vascular Plants (WCVP), via Plants of the World Online (POWO), Royal Botanic Gardens, Kew.